|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1. De dichtentende dichterlijke is een BOS bewoner, een onder de mensen intens aandachtig aanwezige in het rijker, groter, méér dan de mensen, in de verVOLling van den GEEST. in het bos participeert hij aan het BOS in het bos. in gemeenschap met de "heiligen", den van den GEEST vervulden, groeit zijn vervuld zijn van den GEEST voor die gemeenschap. zijn woord is gedragen door den con text van het BOS in het bos. hij ruist unisono, éénstemmig meerstemmig organisch harmonieus. nooit alleen.
zijn woord is nooit alleen. het is vol van het woord van de anderen, naar vóór en nà: een on deelbaar on verdeeld on verdeelbaar deel van den stroom van het WOORD in beweging, geschiedend onder ons. zijn uur is het uur van den GEEST. het slaat toe als HIJ in slaat en slaat in als HIJ toeslaat. bliksem en donderslag bij helderen hemel. ons woord is in beweging. het stroomt. deelhebbend en deelnemend aan vóór en nà: overgereikt over reikend.
het bewegen schift, want: er valt weg in den tijd; er blijft. het graan blijft, het kaf vliegt weg. gewoon natuur lijk. het bewegen van al dat leeft bepaalt wat blijft en wat wegvalt. traditie is een vitale reactie van het leven: zij bewaart het blijvende, houdt het in leven. conservare is het levende in leven houden en uit dér aard het leven zelf, dat on verdeeld on verdeelbaar is: uit zijn OORSPRONG naar zijn UITEINDE toe stroomt. dat er blijft en dat er wegvalt is eigen aan dit stromen uit den OORSPRONG naar het UITEINDE toe van onze wijze. eigen aan onze wijze is dat er blijft én dat er wegvalt. gewoon natuur lijk: graan en kaf, het wezen lijke en het om hulsel, de essentie en het accidentele.
de rijkdom van ons woord is wat er in blijft. wat er in blijft als al wat moet wegvallen wegvalt. de kunst is zó te luisteren dat de stroom wordt gehoord in het woord, dat de con text er uit oplicht, bewaard en meegedragen wordt tot verrijking, vergroting, vermééring. er moét gesproken worden. opgenomen in den stroom kùnnen wij niet niét spreken. al dat leeft, spreekt gewoon natuur lijk: creatief. wat er in ons woordt blijft, is de her innering van zijn OORSPRONG en zijn UITEINDE. van waar het -stromend in den stroom- komt en waarheen het gaat. poëzie is het oplichten van den OORSPRONG en het UITEINDE van ons woord in ons woord. GODS intens aandachtige aanwezigheid onder ons, in Zijn SCHEPPING en VERBOND, IS het dichterlijke, het poëtische onder ons, op aarde. onze poëzie IS de articulatie van dit poëtische. de dichtende dichterlijke (die het dichterlijke onder ons articuleert) sticht wat blijft: de hoogste en diepste, langste en breedste Werkelijkheid van Ik zal er zijn voor u. dit is: het hoogst en diepst, langst en breedst blijvende, het blijvende door de tijdjes heen en on eindig ver over het einde van den tijd.
2. de poëzie van den dichtenden dichterlijken reikt dit blijvende hierennu nù hiér verrijkt, vergroot, verméérd over, verder, op tijd en stond. dit is: hoe, wanneer en waar de GEEST het wil hebben. als Zijn uur gekomen is. vandààr: geloof in en geduld (dit vertrouwen in de toekomst) met het later-maar-nooit-te-laat. de GEEST brengt naar buiten wat binnen in ons woord naar ónze wijze op ónze wijze gestalte krijgt. WIJS lijk. Die de dingen schiep, schiep den mens en leerde hem spreken. trouw aan Zijn SCHEPPING gaf HIJ den mens -uit menslievendheid en vertrouwen- het vermogen in Zijn Naam de dingen op ONS gelijkend een naam te geven: dit is naar eigen wijze op eigen wijze in de LIJN op de LIJN van den SCHEPPER, scheppend trouw aan de SCHEPPING.
zó is ons woord: een naam voor de dingen trouw aan de dingen. dit is de hoogste en diepste, langste en breedste Objectiviteit. ons woord is Objectief zichzelf. en die Objectiviteit is het diepste geheim van de poëzie: het namen geven op ONS gelijkend, naar onze wijze op onze wijze in de LIJN op de LIJN van GODS wijze, de wijze van Zijn WOORD Dat onder ons woont.
het WOORD Dat onder ons woont verbindt, veréént de Schepping en het Verbond. op het WOORD gelijkend verbindt, veréént ons woord de Schepping en het Verbond: symbolisch belijdend getuigend van. een naam geven is al dat leeft beTEKENenend den LEVENDEN onder ons voor ons belijden, van HEM getuigen. dichten is een naam geven uit en in Zijn NAAM. gegeven (weer)geven. SAMEN. scheppen is verSAMENing, verbond, verbinden uit en in tot VERBOND. dichten is SAMEN namen geven die geheime lijk wonder lijk rijker, groter, méér zijn dan uit en in Zijn NAAM: Ik zal er zijn voor u, naar ùwe wijze op ùwe wijze voor ù. namen door het her inneren van den GEEST verrijkt, vergroot, verméérd.
spreken is verantwoordelijk articuleren. impulsief: onder den in slag van den GEEST. en uit dér aard niet kùnnen niét spreken. het verhaal van "de leerlingen" loopt gewoon natuur lijk uit op wij kùnnen niet niét spreken. op de verantwoordelijkheid te belijden en te getuigen van al wat IK u heb gezegd hun door den GEEST her innerd. de GEEST schept ons woord als ant woord, als verlenging, als verrijking en vergroting van "de aarde" waaruit wij geboren en waarop en waarin wij getogen worden...uit Zijn VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere. if we are lucky.
3. ons woord alleen nog lof: on verdeeld on verdeelbaar deel van het geheel, van de gemeenschap der heiligen, van den énen éénmakenden GEEST van de SCHEPPING en het VERBOND. GRONDig één: van begin tot einde.
de natuur lijke plaats van den mens is de SCHEPPING en het VERBOND, hemelenaarde. de GEEST schept den mens on verdeeld van in den beginne naar het uiteinde lijke toe: om alles te winnen. een er zijn om te winnen, te óver leven, bóven het leven op aarde uit. om zijn begin verlangend naar te verlengen naar het rijker, groter, méér dan toe: de éénheid van de on verdeeldheid van den OORSPRONG (SCHEPPING) en het UITEINDE (VERBOND).
het niet kùnnen niét spreken is het "impulsief" articuleren van het VISIOEN van de SCHEPPING en het VERBOND in de VOLHEID van den tijd gearticuleerd door het WOORD. uit dér aard is ons articuleren ant woord van het articuleren door het WOORD en "dus" in goed gezelschap. de dichtende dichterlijke dicht, onder den in slag van de GEEST niet kùnnend niét spreken, "in goed gezelschap": den DICHTENDEN DICHTERLIJKEN bij uitstek onder ons. het BOS ruist in het ruisen van het bos. noch de boom is alleen, noch het bos van bomen. het BOS schept en verbindt ze in de on verdeeldheid van Zijn GEEST. alleen de GEEST maakt één omdat HIJ in Zichzelf één is en één met den VADER (SCHEPPER van hemelenaarde) en Zijn ZOON (Zijn ons gegeven WOORD van VERBOND). de GEEST maakt het bos van bomen tot BOS: rijker, groter, méér dan. de GEEST maakt alle woorden van den dichtenden dichterlijken één met die van alle bomen in het bos en één onder elkaar door het vertrouwen van het mosterdzaadje in de toekomst, van den stervenden graankorrel in zijn honderdvoudige vrucht: de symbolische belijdenis en getuigenis van den VADERZOONGEEST onder ons voor ons.
één worden is alles winnen: het paradijs veroveren. mens worden is één worden: één lichaam en één geest. één worden is bevrijd vrij en vrolijk gerust rusten in GODS aanwezigheid. het is geen berusten in, geen gelatenheid, geen stoïcisme, maar een rusteloze rust, een intens aandachtige creatieve aanwezigheid, een ora et labora: een bewerkend bewaren, bewarend bewerken van "de aarde", een OORSPRONG lijk en UITEINDE lijk geschieden in en met de geschiedenis, VOL naar Zijn VOLHEID toe.
4. de gelovende is een creatieve rustende, een werkzame werkloze, een nuttige nutteloze, een vreemde bekende, een machteloze geVOLmachtigde. dit is: een wijze van er te zijn verrijkt, vergroot, verméérd met de wijze van den GEEST. en uit dér aard is zijn woord een wijze van er te zijn verrijkt, vergroot, verméérd met her innering van den GEEST van al wat IK u heb gezegd. dit is: reëel scheppend, de SCHEPPING en het VERBOND, den OORSPRONG en het UITEINDE ont vouwend, deelnemend aan den innerlijken groei van de geschiedenis de geschiedenis verhelderend en bevestigend als OP gang naar, als reële VOORUIT gang en uit dér aard bewarend bewerkend, conservatief progressief.
het vreemd geheim van het GEEST lijk woord is dat het verrijkt met de levende (in wezen on stoffelijke on vergankelijke) traditie voort gaat, vooruit gaat. oud én nieuw: vergroot met het nieuwe in het oude en het oude in het nieuwe. dit is: on verdeeld. want geschieden is on gebroken, on onderbroken, on verdeeld leven, groeien, evolueren op zijn natuur lijke plaats en zijn natuur lijk uur, verbonden door her innering met het in den beginne én den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. stromen van de BRON naar de ZEE, onderweg én de BRON én de ZEE indachtig, niét vergetend. het actuele kan alleen van binnen uit vernieuwd nieuw zijn, vooruit gang. dit is voorbij den schijn, uit en in den con text on verdeeld samenhangend, één met vóór en nà, groen uit en in verbondenheid.
want uit en in al wat IK u heb gezegd is àlles al gezegd. al kan en moet het opnieuw gezegd worden. dit is: verhelderd en ont vouwd naar de wijze van de geschiedenis in de geschiedenis. al wat IK u heb gezegd lééft en uit dér aard groeit het organisch dynamisch als de rank aan den stam, verbonden, in den con text ons her innerd door den GEEST. aan de voeten vóór de voeten van den gelovenden bij de hand. de rust (een vrolijke vrede uit bevrijde vrijheid) van den gelovenden maakt hem bekwaam zijn ogen te openen voor de Werkelijkheid in de werkelijkheid, om (méér dan te horen) te HOREN, (méér dan te zien) te ZIEN, (méér dan te tasten) te TASTEN. d.w.z. niet alleen on gehinderd, on afgeleid, on misleid en on bedrogen, maar ook geholpen, geleid, verhelderd en bekrachtigd te denken, te doen en te dichten. bekwaam om passief actief al wat IK heb gedacht te HOREN, te ZIEN en te TASTEN in wat wordt gedacht, al wat Ik heb gedaan in wat wordt gedaan, al wat IK heb gedicht in wat wordt gedicht. én bekwaam om passief actief al wat IK heb gedacht te denken, al wat IK heb gedaan te doen, al wat Ik heb gedicht te dichten samen met, on verdeeld verrijkend, vergrotend, verméérend.
dié rust fascineert, wint en verovert uiteinde lijk. dit is: echt. als gave van den GEEST reikt zij de gaven van den GEEST uit, verder, voort: geGROND in het VOLLE vertrouwen in de toekomst en uit dér aard vol geduld. dié rust betekent gewoon voort doen: MIJ volgend, naar HEM luisterend. als wij naar HEM luisteren verschijnt de Werkelijkheid van den VADER en den GEEST onder ons voor ons HOOR-, ZICHT- en TASTbaar vóór ons. het is de HEER. de vreugde om den VERREZENEN maakt HELDERZIEND. de gelovende is een helderziende. en on verdeeld één dààr mee is zijn helder denken, helder doen en helder dichten. hij is een doorzichtige door wien heen de VERREZENE te zien is: CHRISTUS leeft in hem.
5. de intuïties van de SCHRIFT zijn de GROND van de helder ziendheid, van ons luisteren naar het WOORD, het in den beginne waar het geloven begint. en waar het kennen van ónze plaats op aarde begint: ons bewerken en bewaren van "de aarde", bewerken op ónze wijze, bewaren op de wijze van GOD. geloven is behoudsgezind vernieuwen: de door de mensen uitgevonden verdeeldheid tussen oud en nieuw in de wereld van de wereld wegnemen en ze on verdeeld SAMEN laten werken naar de VOLheid toe. ééns gezind behouds en vernieuwens gezind. naar HEM (altijd en overal helemaal) luisterend behoudt en vernieuwt de gelovende de GRONDintuïties van de SCHRIFT. hij laat ze geschieden, groeiend leven, aan ons gebeuren, ons denken, doen en dichten verhelderen en bekrachtigen uit en in den OORSPRONG naar het UITEINDE toe.
ononderbewustbewust op aarde. het WOORD geschiedt aan ons naar ónze wijze op ónze wijze: op aarde. HET grondt geheime lijk wonder lijk ons "aards" denken, doen en dichten: voor ons soms bewust, soms onderbewust, soms onbewust, maar altijd en overal helemaal gedoopt in het denken, doen en dichten van het WOORD. uit dér aard hebben wij op aarde niets te verliezen, maar alles te winnen, "zij dit dan ook voor ons te wonderbaar, te verheven, en reiken wij er niet toe".(Ps. 139/1-7) onze wijze herkennend, erkennend en er mee instemmend blijven wij vreemd welwillend in vertrouwen op onze plaats. lang moedig en geduldig gewoon voortdoend luisterend naar den geest van den GEEST. want de Werkelijkheid, Die vraagt dat wij ze zouden geloven, is een mysterie: het mysterie van de Drieëenheid, den VADERZOONGEEST. Zij is de geloofswaarheid waaruit àlle andere (van de 12 artikelen) naar ons toe stralen. ons credo is de geslepen diamant van GODS werkelijk wonen onder ons, de schittering van Zijn NAAM in al Zijn facetten. dààr om is ons geloof één, on verdeelbaar, àlles, of niéts. wie echt in GOD gelooft, kan moeilijk moeite hebben met ons credo. zijn vreemde welwillendheid ten opzichte van, zijn tedere toegankelijkheid voor GOD, gelden ook voor den ZOON, den GEEST, de kerk (gemeenschap der heiligen), voor de vergiffenis van de zonden, voor onze verrijzenis, ons eeuwig leven. als GOD een mysterie is voor onze wijze, zijn al de stralen van Zijn mysterie naar ons toe mysterie: te wonderbaar, te verheven, on bereikbaar voor ons en uit dér aard voorwerp van geloof.
de gelovende bewaart zijn geloven behoedzaam, met den GEEST samenwerkend. hij is bewarend (ora) bewerkend (labora), bewerkend bewarend aanwezig op aarde, geschiedt in de geschiedenis langzaam, behoedzaam, conservatief progressief, on tijdelijk van zijn tijd, in de wereld maar niét ervan.
6. en uit den aard van dit geschieden is zijn woord conservatief progressief, OORSPRONG lijk UITEINDE lijk, SCHRIFT eigentijds. de SCHRIFT erin bewaart, behoudt, behoedt den GROND ervan; de eigen tijd ont vouwt, opent, verheldert, verruimt en verovert den GROND symbolisch belijdend getuigend in den tijd naar de wijze op de wijze (van de TEKENEN) van den tijd. gerust rustig en geduldig, on gehaast langzaam en zonder omhaal van woorden.
de GROND is de grond van dit ont vouwen, de logica, de dynamiek ervan. de GROND her innert voort durend den zin van de tekens van den tijd, verlengt, vergroot den tijd in TEKENEN van den tijd. "Hij heeft u vernederd en honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van al wat uit den mond van Jahweh komt.(Deut. 8/2-3) voort durend, altijd weer, krijgen wij te zien wat wij, noch onze voorvaders, ooit hadden gezien: flitsen van "den HEMEL" op aarde, woorden uit den mond van GOD. ons ont vouwen van "de aarde" gebeurt door her innering van den GEEST, door het morgen lijk zien van wat wij nog nooit hadden gezien.
ónze vooruitgang is te mogen zien wat wij nog nooit hadden gezien, op aarde woorden te horen uit "den HEMEL" (den mond van GOD), ons her innerd door den GEEST. uit dér aard is het de GEEST in ons Die door ons ont vouwt, opent, verheldert, verruimt en verovert, ons laat zien wat wij nog nooit hadden gezien, ons de SCHRIFT verklaart. if we are lucky, vreemd welwillend gehoorzaam luisteren, kijken naar...hoe. morgen lijk ont waken en het manna vóór de voeten aan de voeten in handbereik zien. ónze vooruitgang is onderweg genezen te worden. "En terwijl zij er heen gingen, werden zij rein."(Luc. 17/14) genezen is onderweg (naar onze wijze op onze wijze meewerkend) te zien krijgen (naar de wijze van de wijze van GOD) wat wij nog nooit hadden gezien. het wonder van alles te winnen geschiedt onderweg. uit den GROND van ons hart. stap voor stap.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
