|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1. Het begint allemaal met den GEEST die her innert "al wat IK u heb gezegd". de GEEST ordent "de aarde" en den mens, werkt aan de on verdeeldheid van de SCHEPPING: Hij is het begin ervan (heri), Hij is er bestendig in aanwezig (hodie) en HIJ voltooit ze (et in saecula saeclorum). het krijgt allemaal een heldere betekenis in het LICHT van den GEEST.
2. de mens is beADEMde klei, "een levend wezen", "op ONS gelijkend".
2.1. hij is on verdeeld lichaam en geest. die on verdeeldheid is een teken van den GEEST in den mens. de GEEST is het principe van zijn evenwicht, van de "verdubbeling" van het lichamelijke (de klei) tot drager van het geestelijke én TEKEN van den GEEST. het lichamelijke is rijker dan, groter dan, méér dan. het leeft.
2.2. de mens hoort, ziet, tast rijker, groter, méér dan: zijn horen is een luisteren naar (vergroot tot HOREN, méér horen), zijn zien is een gaan kijken hoe (vergroot tot ZIEN, tot méér zien), zijn tasten is den vinger steken in (vergroot tot TASTEN, méér tasten). het is horen, zien en tasten dat "er hiér méér is". dat de zoon van den timmerman de CHRISTUS, de ZOON van den levenden GOD is. het is deel hebben aan het geheim van al dat leeft. het is ervaring van de "verdubbeling", de gedaanteveràndering van "de aarde" uit en in de aanwezigheid van "den HEMEL".
2.3. de mens spreekt. hij "uit" zijn ervaring op een aan zijn wijze eigen wijze.
- spreken is het gehoorde, geziene, getaste hoorbaar maken voor die luisteren naar. een vorm geven aan voor die bekwaam zijn dien vorm te capteren, te registreren. spreken is communiceren.
- spreken is het woord articuleren waarin het gehoorde, geziene, getaste "verschijnt" als "verdubbeld", als participatie aan het GEHEIM van al dat leeft. het woord is een LICHT signaal. spreken is LICHT signalen uitzenden waarin al dat leeft "verschijnt" zò als het is.
- spreken is een gave van den GEEST: het vermogen het woord te articuleren waarin al dat leeft "verschijnt" als "een levend wezen", als beADEMde klei. het woord is (uit en in her innering van den GEEST) deel name aan het WOORD: een zeggen zó als IK u heb gezegd. d.w.z.: "in gelijkenissen", "verdubbeld": als zoon van den timmerman ("aarde") den ZOON van GOD ("HEMEL") articulerend. het woord is beeld: het ont sluit de on verdeeldheid van hemelenaarde, het ordent op ONS gelijkend, op UW woord. geheime lijk wonder lijk.
- spreken is wonderen doen: uit en in het GEHEIM en het WONDER water verànderen in wijn, brood vermenigvldigen, 153 grote vissen vangen, blinden doen zien, doven doen luisteren en spreken, verlamden doen tasten, doden tot leven wekken. en wel op ONS gelijkend, op UW woord, in UW naam.
- spreken is dichten, on verdeeld mens zijn op ONS gelijkend. het is het her innerde herinneren: uit ZIJN VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere VOLheid articuleren.
2.4. het lichamelijk aspect van het woord vertoont verwondering wekkende eigenschappen: klank, ritme, voorstellingen (herinnering van), die te horen, te zien en te tasten zijn. die -als een speling van de natuur- een natuur lijk spel spelen van aantrekkelijk, zo niet fascinerend, muzikaal klinken, dansend bewegen, beeldend aanschouwelijk stellen, geheel in de lijn van lichamelijk (zintuiglijk) horen, zien en tasten. de bekoring dit spel met de woorden te spelen is groot voor de homo ludens. zo groot dat hij zijn evenwicht kan verliezen en naar het lichamelijke overhellen om te genieten van het lichamelijke. niet dat dit spel geen waarde heeft: het heeft de waarde van het spel.
spreken dat dichten is, is evenwicht. de verwondering wekkende lichamelijke eigenschappen van het woord zijn de geuren en kleuren der bloemen, mààr er is méér. er is geen evenwicht zonder dit méér. de klei blijft levenloos zonder den ADEM. het geheim van spreken dat dichten is, is dit evenwicht: een verbijsterende, verbazende, wonder lijk boeiende "verschijning" onder ons. zij is er, al vinden wij niet het hoe, waar, wanner en waarom ervan.
3. poëzie is articulatie van evenwicht tussen "lichaam" en "geest", tussen wat er horend GEHOORD, kijkend GEZIEN en tastend GETAST wordt en het "in gelijkenissen verschijnend" woord, d.w.z. het met "verbeelding" verrijkt, vergroot, verméérd klinken, bewegen en voorstellen ervan. poëzie is echt, VOL spreken, het evenwichtig vorm geven aan evenwicht. het hart op de tong.
3.1. vertalen is in de eigen moedertaal hoorbaar maken wat er in de andere te horen is. het is participeren aan het pinksterwonder uit en in de wonder lijke aanwezigheid van de éne on verdeelde werkelijkheid en het daaraan beantwoordende éne on verdeelde woord onder ons. vertalen is dit éne woord dat te horen is in die andere taal, in de eigen moedertaal laten horen. d.w.z. het evenwicht tussen de ene en de andere taal te voorschijn brengen uit en in het éne woord.
3.2. het wonder is dat in de ene taal kan gezegd worden wat in de andere gezegd is, op GROND van het gemeenschappelijke. het essentiële. dat vertalen noodzakelijk verraden zou zijn is een vergissing die het gevolg is van on evenwicht: het òverbeklemtonen van het lichamelijke ten koste van den GEEST. het lichamelijke van een taal kan niet weergegeven worden in een andere taal, maar de andere taal heeft haar eigen lichamelijkheid om den GEEST te articuleren en het mogelijk te maken dat "wij allen ze in onze eigen moedertaal horen spreken... Wij horen ze in onze eigen taal GODS grote werken verkondigen." (Ha. 2/8+11)
3.3. vertalen is in de eigen taal laten horen wat in de andere taal te HOREN, te ZIEN en te TASTEN is in andere woorden: in het éne woord. vertalen is maar mogelijk uit en in een luisteren dat het evenwicht in de eigen moedertaal hoort en op nieuw kan articuleren. geheime lijk wonder lijk uit en in het her inneren van den GEEST.
het éne woord, de éne taal in eender welke taal, maakt vertaling mogelijk, is er het BEGIN(sel) van en is het doel van de vertaling, is er het EIND(doel) van. en uit dér aard is vertalen méér dan een louter technische kwestie. het is de "kunst" het éne woord te HOREN én op nieuw te dichten. het is, zó als dichten, spreken met het hart op de tong, evenwichtig. in de LIJN op de LIJN van "GODS grote werken verkondigen".
3.4. alle talen vloeien samen, worden één vlees in de éne taal, het éne WOORD, "al wat IK u heb gezegd". zij luisteren naar "de boodschap van den ENGEL". zij wassen VOL uit ZIJN VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere. verrijkt, vergroot, verméérd door ZIJN WIJZE emanciperen zij tot hun eigen wijze: beginnend in den beginne, beADEMd tot "een levend wezen" gelijken zij over hun lichamelijkheid heen op elkaar door den gemeenschappelijken GEEST "die waait waar HIJ het wil". zij communiceren den GEEST in vertalingen die, doordat wij allen den GEEST horen in de eigen moedertaal, de ont vouwing en de ont sluiting van het PINKSTERWONDER zijn in de geschiedenis, tot het einde der tijden. en dit is wezen lijk een openbaringsgebeuren, en niét op de eerste plaats een literair-esthetisch werk van mensenhanden. spreken is een bekwaamheid van den geïncarneerden geest, die van in den beginne door den GEEST die gave heeft gekregen. articuleren tot woord is een door den GEEST verrijkt, vergroot, verméérd uiten van geluiden, een vorm geven aan "gelijkenissen" waarin het GEHEIM en het WONDER onder ons voor ons "verschijnen"...als in WIJN verànderd water, als woord van het WOORD.
4. hiér is er méér. spreken is méér dan een teken van geest. het is een TEKEN van GEEST: een niet kùnnen niét spreken over, een geheime lijk wonder lijk "verdubbeld talent". het geheim van spreken is die "verdubbeling": niet een spreken met dubbele tong, maar wel een spreken met het hart op de tong.
4.1. de dichtende dichterlijke spreekt uit en in het méér, het TEKEN van den GEEST. dit is: in het teken van het geheim en het wonder geheime lijk wonder lijk, voorbij elke "technische discussie" on grijpbaar voor en on verklaarbaar door de wetenschap. "in gelijkenissen", de gewoon natuur lijke vorm van de "verdubbeling" die onder ons voor ons "verschijnt" in de lichamelijkheid der dingen van de SCHEPPING en het VERBOND. zó spreken is spreken conform, onverdeeld één met onze wijze OORSPRONG lijk en UITEINDE lijk vergroot met GODS WIJZE. zó spreken is spreken naar "de boodschap van den ENGEL", uit en in her innering van den GEEST. hiér is er méér: de OBJECTIVITEIT van de objecten, "verdubbelde" dingen. tweede geboorte, doopsel in water en GEEST. de dichtende dichterlijke is met zijn hart bij den HEER, spreekt met dit van den GEEST vervuld hart op de tong. uit dér aard verschijnt in dit spreken méér dan wetenschap, méér dan literatuur. dit spreken is uit en in zijn bevrijd vrij zijn van cliché's vrij, zijn bevredigd zijn vredelievend vreedzaam, zijn bevreugd zijn vrij en vrolijk vreugde vol. een luisterend, om zichtig, tastend langzaam boetseren, gereed voor den ADEM van den GEEST.
4.2. die schrijft, schrijft on ingewikkeld, het hart op de tong, het VISIOEN hoor-, zicht- en tastbaar in het woord, het woord voertuig van het VISIOEN. en wat gebeurt er? men ziet den zoon van den timmerman (het woord) én men ziet den ZOON van den levenden GOD (het WOORD) niét. en tóch gaat het om den ZOON, die óns, naar onze wijze op onze wijze, in de gestalte van den zoon "verschijnt". en tóch wordt het ons gegeven in den zoon den ZOON te ZIEN, uit en in GODS mens lievendheid.
schrijven is, participerend aan GODS mens lievendheid, het VISIOEN van den ZOON articuleren met woorden van den zoon. "schamele" woorden, met een aan het RIJK GODS ontleenden rijkdom van BETEKENIS in het TEKEN van "men heeft u gezegd dat..., maar IK zeg u". on ingewikkeld schrijven is den ZOON in den zoon helder laten "verschijnen", HEM niét onzichtbaar maken door HEM in woorden te wikkelen met het accent op den zoon. het is den ZOON ont vouwen en ont sluiten in en door den zoon heen. WOORD en woord zijn één vlees, WIJN geworden water. uit dér aard schrijft die on ingewikkeld schrijft, een "blijde boodschap van Jezus Christus, den Zoon van God" (Marc. 1/1), en geen "zelfportretten". d.w.z. wezen lijk eerlijk tegenover het MATERIAAL en wezen lijk eenvoudig van vorm. wezen lijk booms en wezen lijk bijbels uit en in her innering.
het verstand wikkelt in; het VISIOEN ont wikkelt, ont vouwt, ont sluit in simplicitate cordis. door de zon in de woestijn gebleekte beenderen worden geheime lijk wonder lijk "een levend wezen", on verdeelbare samenhang...op UW woord. zó kan ook Rom. 8/19-21 gelezen worden: "Reikhalzend toch smacht de schepping naar de openbaring der kinderen Gods. Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet uit eigen wil, maar door de wil van Hem die ze daaraan onderwierp; maar toch met de hoop dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods."
4.3. de dichtende dichterlijke is bekwaam om op UW woord
-de schepping te zien als het vergankelijke op wonder lijke wijze verrijkt, vergroot, verméérd met on vergankelijkheid, als beenderen opgewekt tot "een levend wezen", als bevrijd uit de slavernij. dat is precies zijn vermogen door de dichterlijkheid der schepping "geraakt", gegrepen te worden, het VISIOEN van de SCHEPPING als werk van ZIJN handen te schouwen (doordat hij op UW woord eens gaat kijken, naderbij komt om te zien hoe).
-dit VISIOEN van de SCHEPPING als "levend wezen", als "bevrijd van de slavernij der vergankelijkheid", te articuleren in "van de slavernij der vergankelijkheid bevrijde" vrije woorden, die wonder lijk het wonder van deze gedaanteveràndering van "de aarde" op UW woord verrichten. d.w.z. met "de vrijheid der glorie van de kinderen Gods" de schepping in zijn poëzie te bevrijden, op nieuw te scheppen.
dit is: dichtend mee scheppen, onder ons voor ons naar onze wijze op onze wijze de ZELFopenbaring van GOD den VADER SCHEPPER, GOD den ZOON het WOORD en GOD den GEEST HERINNERAAR ont vouwen en ont sluiten. d.w.z. dichtend de dingen der schepping, en uit der aard den mens, als "een levend wezen" laten verschijnen, "bevrijden van de slavernij der vergankelijkheid", in eer herstellen. dichten is rehabilitatie, dingen en mensen hun natuur lijke plaats teruggeven, thuis brengen in het VISIOEN.
uit dér aard hoort de dichtende dichterlijke thuis in paulus' VISIOEN: "Allen toch die door Gods Geest worden geleid, zijn kinderen Gods. Want gij hebt geen geest van slavernij ontvangen, maar de geest van kindschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader!" (Rom. 8/14-15)
4.4. het woord van den dichtenden dichterlijken is een zijn bevrijd vrij schouwen der dingen en der mensen van de SCHEPPING bevrijd vrij articulerend woord. een reëel vrij én bevrijdend woord, dat én de SCHEPPING én het VERBOND in de LIJN op de LIJN van de SCHRIFT ont vouwt en ont sluit. literatuur of geen: paulus' poëzie grondt in den GROND der poëzie: het verbijsterend, verbazend, boeiend WONDER van het VISIOEN van "een nieuwen hemel en een nieuwe aarde" uit en in "Zie, IK maak alles nieuw". (Ap. 21/1,5). men vergisse zich niet. men mene niet dat de vernieuwers vernieuwen uit eigen kracht, op eigen houtje, in eigen naam. zie, IK maak alles nieuw. de rest is -en de feiten ervan zijn legio- literatuur, "zelfportretten".
5. poëzie is WERKELIJKHEID (WAARHEID die bevrijdt), "een levend wezen", en geen constructie. hiér is er méér: het warme vlees en bloed van tot één vlees geworden woord en WERKELIJKHEID.
5.1. poëzie bevrijdt. dat is haar geheim. in het VISIOEN komt de WAAR heid van de WERKELIJKHEID vrij voor den schouwenden. d.i. de ZIN van de bestaande wereld én de ZIN van zijn bestaan. het VISIOEN is de helder herkenbare plaats van versamening, het fascinerend beeld van al dat leeft als "een levend wezen". met als tegen stelling de dood als verbrokkeling (van door de zon gebleekte beenderen). poëzie geneest tot leven, tot ZIN VOL bestaan, vervulde belofte ( van den GEEST die begint, in stand houdt en VOLTOOIT).
5.2. poëzie is verhelderende en bekrachtigende bestendige aanwezigheid, anti vereenzaming die on verpoosd on verdroten samen brengt en samen houdt al dat leeft. zij HEMELt "de aarde" op tot die geheime lijk wonder lijke gedaanteveràndering van HEMEL-op-aarde, HEMEL-al-in-de-aarde. d.w.z. op GROND van SCHEPPING en VERBOND ónze wijze vergroot met GODS WIJZE: ónze wijze en de wijze der dingen van zichzelf bevrijd, genezen tot het VOLWASSEN ZICHZELF, uit ZIJN VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere.
5.3. dichten is één ogenblik geweldig leven, versamening van alle ogenblikken die ze verVOLt. een fel gespannen draad van hierennu nù hiér leven van BEGIN tot EINDE, vervuld van den GEEST. een HOOGTEpunt dat op de HOOGTE blijft en houdt voor altijd. een blijvende LEVENSverzekering. het BESTE, altijd en overal geheel VOLWASSEN. een GESCHENK, gekregen en gegeven, met zijn VOLTOOIING binnenin, en on verslijt- en on vergrijsbaar.
een GESCHENK weigert men niet. het heeft zijn verantwoording in zich. uit der aard hoeft de ontvanger ervan zich niet ervoor te verantwoorden. zijn enige verantwoordelijkheid is zijn vrij en vrolijke dankbare ontvankelijkheid ervoor, zijn overgave eraan, zijn medewerking ermee. hij zet de lamp op den standaard...voor het huis. hij laat de GEEST zijn werk doen. hij "verdwijnt", terwijl de GEEST wat HIJ begonnen is in stand houdt en VOLTOOIT op ZIJN wijze, ZIJN uur. dit "uit de hand geven", déze wijze van "publiceren", is zijn geheim, dat groter is dan alle publiceren. in het bewustzijn dat "als de Heer het huis niet bouwt, de knechten tevergeefs bouwen". en dit geloof redt, bevrijdt, geneest.
5.4. ons woord haalt zijn levenssap uit het WOORD, zijn VOLheid uit ZIJN VOLHEID. er is geen alternatief. de BRON is er heri, hodie et in saecula saeculorum. ons woord is water van die BRON, en het blijkt wonder lijk WIJN te worden. de ene AFGROND roept den anderen afgrond toe, VERGROTEND.
"gedoopt" in het WOORD, doordrenkt van al wat IK u heb gezegd, wordt ons woord heilig: bevrijdt en geneest het de bestaande wereld tot "geloven in MIJ". dit is: het unum necessarium. "gedoopt" in, doordrenkt van, VOL. VOL uit en in "luistert naar HEM". het WOORD verVOLt ons woord, ons hierennu nù hiér geschieden. d.w.z. uit en in ZIJN VERRIJZENIS LEVEND intens aandachtig onder ons wonend bewerkt HIJ hierennu nù hiér het verrijzen van ons geschieden en ons woord (de ont vouwende en ont sluitend articulatie van dit verrijzend geschieden), bevrijdt, geneest, HEELt ze...dààr HIJ ons te willen koos: op onze natuur lijke plaats. HIJ HEELt: bevrijdt en geneest tot on verdeeldheid, ons waarnemen, denken en voelen, ons doen en dichten op de geheime lijk wonder lijke wijze van het VISIOEN, dat de werkelijkheid ver beeldend ont sluitend aan onze verbeelding "verschijnt". "Maar iemand die naar U verlangt, ontvangt slechts tekenen van uw liefde. Vanuit de hemel, vanuit de aarde en vanuit ieder schepsel bieden zij zich uit eigen beweging aan mij aan:..." (W. van St-Thierry)
ons HEIL betekent terugkeer naar onze OORSPRONG (van in den beginne) lijke on verdeeldheid. en dat is een terug gang die ter zelfder tijd een vooruit gang (naar het UITEINDE lijke toe) is. een proces waarin de tijd en zijn adepten overwonnen zijn doordat het, hoewel naar onze op onze wijze in den tijd geschiedend, niét voorbijgaat.
5.5. poëzie is on vergankelijk, gaat niét voorbij, omdat zij de evocatie (uit het woord, de stem te voorschijn tredend) is van dit reëel gebeuren, uit en in het WOORD "een woord van eeuwig leven" is. en uit dér aard "een woord om naar te luisteren" omdat het zelf vol luisteren is.
GOD de VADER, GOD de ZOON en GOD de GEEST her inneren in ons dat ZIJ het BEGIN, de instandhouding en de VOLTOOIING van de bestaande wereld zijn. d.w.z. ook van elken mens. en wel "in het verborgene", op een WIJZE die groter is dan onze wijze. in feite "in gelijkenissen". ZIJ her inneren, d.w.z. maken onze wijze bekwaam HUN WIJZE te HOREN (als wij luisteren), te ZIEN (als wij eens gaan kijken, er op letten hoe) en te TASTEN (als wij de vingers en de hand in de wonden steken). dit is de mens lievendheid van GOD den SCHEPPER, GOD den VERLOSSER en GOD den HEILIGENDEN: ZIJ komen óns tegemoet, hebben ons het eerst bemind. een alternatief is er niet: een mens is ant woord, is hoe hij die EERSTIGHEID in zijn bestaan verwerkt.
een mens gaat langzaam naar zijn VOL wassen toe uit en in luisteren, gaan kijken (letten op) en "aanraken". d.w.z. uit en in de van den GEEST vervulde wijze (zijn geluk hebben) waarop hij het her inneren mogelijk maakt. d.i. uit en in fundamentele af stand, ont eigening, ont naming: het innemen van zijn natuur lijke plaats, het op zijn plaats blijven. een mens bereikt zijn VOL wassenheid op zijn plaats, "daar God hem eens te willen koos". er is geen andere.
een mens wordt zichzelf uit en in luisteren naar, letten op, "aanraken" van. dit is: met OPEN oren, OPEN ogen en OPEN handen, als een wezen dat het geluk heeft bekwaam te zijn tot HOREN, ZIEN en TASTEN. in feite: als een tot HOREN genezen dove, tot ZIEN genezen blinde, tot TASTEN genezen verlamde. als een medespeler in het WONDER van GODS mens lievendheid. uit dér aard spreekt deze mens met OPEN mond, een los gemaakte (van stomheid genezen) losse tong. hij spreekt wat hij luisterend GEHOORD, kijkend naar GEZIEN en "aanrakend" GETAST heeft. wat hij heeft mógen HOREN, mógen ZIEN, mógen TASTEN uit en in GODS mens lievendheid. de natuur lijke plaats van den dichtenden dichterlijken is GODS mens lievendheid.
5.6. poëzie is wat er staat. en dàt is wezen lijk méér dan, een "verschuiving" van wat de dichtende dichterlijke denkt te schrijven naar wat hij "on wetend" en "on willend" reëel schrijft. het is een grondverschuiving naar den GROND toe. het is een ononderbewustbewust schrijven, een DIEPTE schrijven dat ressorteert onder het geheim en het wonder van het HER INNEREN van den GEEST. en uit dér aard een "verschuiving" naar den achtergrond vanwege den dichtenden dichterlijken en een "verschuiving" naar den VOORGROND vanwege den GEEST. dàt stààt er. en dàt kan -if we are lucky- uit der aard GEHOORD worden.
is schrijven "schrijven" wat er stààt, lezen is "lezen" wat er stààt. d.w.z.: "schrijven" is mógen kunnen schrijven wat er staat, "lezen" is mógen kunnen lezen wat er staat. een VOLheid van schrijven en VOLheid van lezen uit ZIJN VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere. inderdaad bij GODS genade. bij GODS genade mens waardig, op de voor den mens meest mens lijke wijze: verrijkt, vergroot, verméérd met.
5.7. poëzie: het woord in eer hersteld, door óns -met MEDEWERKING van- geschapen vorm van het VISIOEN waarin ons bestaan "verschijnt" in zijn VOLheid: de hoogte en diepte, lengte en breedte van de mannenmaat van jezus CHRISTUS, in zijn OORSPRONG lijk "op ONS gelijkend". in eer hersteld: verrijkt rijker dan, vergroot groter dan, verméérd méér dan. wijn van den WIJNSTOK. LEVENSadem die al wat wij waarnemen, denken, doen en dichten tot "een levend wezen" maakt, tot VOLheid van waarnemen, denken, doen en dichten. óns woord geheime lijk wonder lijk gelijkend op het WOORD den morgen van den derden dag: ge wond SCHOON, zoon ZOON.
in poëzie geeft ons woord het woord aan de dichterlijkheid der dingen, een eigen eigenschap die ze meegekregen hebben van in den beginne, die in het verborgen met ze meegaat en in de verte den nieuwen hemel en de nieuwe aarde laat opdoemen. en het WONDER bóven wonder is dat het grijze plaatje van de bestaande wereld te voorschijn komt gekleurd met al de kleuren van den REGENBOOG, van gedaante verànderd. en wel on spectaculair, on denkmodellig, on sentimenteel, on activistisch vrieshelder verbeeldend VISIONAIR: de dingen uit de doeken gedaan, de dingen -in de gevangenis aan den wand gekluisterd- door den ENGEL los gemaakt en vrij naar buiten geleid. (Ha.5/19; 12/7-10)
poëzie bevrijdt, als spreken van den bevrijd vrijen dichtenden dichterlijken mens. uit der aard staat zij in het teken van de schepping van den mens: op ONS gelijkend. d.w.z. wezen lijk vrij. vrij om bevrijd vrij te worden door vrij en vrolijk in te stemmen met en mede te werken aan onze bevrijding door den ENGEL, den heiligenden GEEST. in het TEKEN van den OORSPRONG lijken mens (den mens van in den beginne) tekent zij den geschiedenden mens met het TEKEN van UITZICHT, den in vrijheid herstelden mens. uit der aard is zij een spreken naar de mannenmaat van het WOORD, den VOOR SPREKER, het VOOR- en TOON TEKEN van óns woord. in poëzie komt LICHT vrij op de bestaande wereld, op wat wij horen en zien, denken en voelen, doen en dichten. LICHT van WAAR heid van WERKELIJKHEID, van dat zij in feite méér zijn dan: geschapen door en verbonden met GOD den VADER, GOD den ZOON en GOD den GEEST.
5.8.1. het beeld is geen toevallig verschijnsel, laat staan een constructie van de fantasie van den mens. het is de ons voorafgaande ons gegeven natuur lijke plaats van HEMELenaarde, van de OORSPRONG lijke en UITEINDE lijke on verdeeldheid van SCHEPPER en schepping, van het VERBOND. het stelt het VERBOND naar onze wijze op onze wijze onder ons aanwezig: hoorbaar, om GEHOORD te worden, zichtbaar, om GEZIEN te worden, tastbaar, om GETAST te worden. in het beeld "verschijnt" de VOLheid van al dat leeft, de VOLheid van het VISIOEN van de geschiedenis: het hierennu nù hiér plaats hebbend (in stand gehouden door) uit en in het VOOR (van in den beginne) naar het NA (den nieuwen hemel en de nieuwe aarde) toe. ons bestaan is een beeld verhaal: een gebeuren dat in zijn VOLheid (on verdeeld) te voorschijn komt "in gelijkenissen". een geTEKENd verhaal: om "gelezen" te worden en LICHT te werpen op. het beeld is een kostbaar geschenk van GODS mens lievendheid.
5.8.2. want met het beeld wordt ons de verbeelding geschonken: het kostbaar vermogen om het te zien, d.i. om horend te HOREN, kijkend te ZIEN en tastend te TASTEN de WAAR heid van de WERKELIJKHEID van al dat leeft. verbeelding is het vermogen om de ON VERDEELDHEID te "lezen" en te "schrijven"; om dichterlijk te dichten. zij is het grondvermogen van den dichtenden dichterlijken, het geheim van de poëzie.
in het beeld komen en hangen wereld, mens en GOD samen. samen VISIOEN. in het beeld verschijnt de mannenmaat van ons wereld-, mens- en GODSbeeld, op grond van "gelijkenis" de emanatie van GODS VOLHEID. de GROND van de drie beelden is de ON VERDEELDHEID, en uit dér aard is het beeld wezen lijk on verdeeld: de in en ont sluitende voorstelling van het VISIOEN, het LEVENSecht verhaal van ons bestaan. het beeld is OERbeeld van de OER WERKELIJKHEID: een verbonden rank leeft (begint, houdt stand en wordt VOLTOOID) uit en in de doorstroming van het levenssap van den wijnstok; een afgebroken, afgesneden rank verdort: is gebroken en breekt af doordat zij verbroken is, d.w.z. verdeeld.
5.8.3. het beeld kan alleen "gelezen" worden uit en in de on verdeeldheid van die het hoort, ziet en tast. van die het schouwt: bekwaam is tot "verdubbelen". on verdeeldheid is "verdubbeling" van "de aarde" (wereld en mens) door "den HEMEL" en beide komen in het beeld (de "gelijkenis", het op ONS gelijkend) te voorschijn. blomme wijst naar ik, zonnelicht wijst naar GOD: de "kring" sluit, en poëzie ont sluit dit "sluiten". het beeld "verdubbelt": blomme tot ik, en zonnelicht tot GOD, en de hele relatie tot RELATIE. de dichtende dichterlijke dicht de RELATIE op grond van de relatie: hij "verdubbelt" ze, schept de on verdeeldheid ervan, "geeft haar een naam" uit en in den NAAM van GOD den VADER, GOD den ZOON en GOD den GEEST.
schouwen is zo intens aandachtig kijken naar dat gij de relatie ziet én in de relatie de RELATIE die de VOLheid van de relatie is. schouwen verzamelt: brengt al dat leeft (geschiedt) samen met den OORSPRONG en het UITEINDE. schouwen is UITZICHT op VOLTOOIING, op de GROTE VERGADERING, de GROTE SAMENKOMST. relatie is beeld van de RELATIE; RELATIE is de VOLTOOIING van de relatie; leven is van de relatie opgaan naar de RELATIE. en dààr in speelt het schouwen een fundamentele rol: in het schouwen van de relatie neemt de RELATIE al op aarde een aanvang, heeft de HEELING, de VEREENIGING al plaats.
schouwen vergroot ons denken, doen en dichten van elken dag. het verVOLt onzen dag door al wat wij "denken", al wat wij "doen" en al wat wij "zeggen" te "verdubbelen": op de HOOGTE van de SCHEPPING en het VERBOND te brengen, te verrijken met de KWALITEIT van de GROTE SAMENKOMST. schouwen maakt dat al wat wij denken wezen lijk ànders wordt, dat al wat wij doen wezen lijk ànders wordt, dat al wat wij dichten wezen lijk ànders wordt: opgeHEMELd al op aarde. het beeld laat dit opgeHEMELd al op aarde zijn naar onze wijze op onze wijze "verschijnen" in de opHEMELing van "de aarde". de poëzie articuleert het in beelden, "in gelijkenissen", op grond van het schouwen van den dichtenden dichterlijken, wiens geheim is: te mógen kunnen en te kùnnen mogen kunnen schouwen. hij pro moveert van wetenschaps mens naar filosoof naar mysticus ("de wetenschapsmens wordt filosoof, de filosoof wordt mysticus" b.standaert). in den mysticus heeft de samenkomst plaats die de goede grond is voor de honderdvoudige vrucht van de GROTE SAMENKOMST.
9. zijn poëzie is samenkomst van woorden, waarin de GROTE SAMENKOMST voor ons te voorschijn komt. "door goddelijke lering (HIJ zal u alles leren...) gevormd durven wij zeggen: onze Vader, die...". d.w.z. dat het zeggen van den schouwenden in de LIJN op de LIJN van de SCHRIFT komt. het kan de SCHRIFT niet "verbeteren", maar wel ont sluiten en ont vouwen, hierennu nù hiér. zijn durven zeggen is, in feite, zijn niet kùnnen niét spreken, niet kùnnen niét "denken", niét "doen", niét "dichten". bevredigd en vrolijk.
en elke nieuwe dag, van begin tot einde verVOLd van BEGIN en EINDE door goddelijke lering, door het her inneren van den GEEST van "al wat IK u heb gezegd" via het woord van ZIJN "leerlingen", wordt een dag VOL waarnemen, denken, doen en dichten goud op snee.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
