Aantekeningen van Ernest Bornauw
"uit God geboren", met UITZICHT op in GOD terugtekeren


begin boeken levensverloop contacteren

Dauwdropdiamanten (1992)

<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>

op UW woord

 

1.1. Er zijn is geschieden naar UW WOORD. dit is een scheppingsgebeuren waarbij "GIJ achter mij zijt, vóór mij, rondom mij", een VOL wassen uit en in ZIJN VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere. een VOL wassen op ONS gelijkend: scheppend zó als. het "levend wezen" is uit zijn aard van gelijkenis wezen lijk een scheppend wezen: VOL wassen is zich creatief ontplooien, naar het wezenskenmerk van al dat leeft. uit dér aard wordt de activiteit der zintuigen opgeroepen tot creatief waarnemen, die van het denken tot creatief denken, die van het doen tot creatief doen en die van het dichten tot creatief dichten.

1.2. er zijn is uit OORSPRONG creatief waarnemend, denkend, doend en dichtend SAMEN en MEDE scheppen, on verdeeld de bestaande wereld "verdubbelend". er zijn is "de netten uitwerpen op UW woord" voor een wonder lijke visvangst. het geheim van ons er zijn ligt in het wonderen verwekkende op UW woord: in op UW woord on verdeeld, "verdubbelend" waarnemen, denken, doen en dichten.

 

2. de helderheid en de kracht van het spreken krijgen hun VOL heid uit en in de on verdeeldheid van waarnemen, denken, doen en dichten. de on verdeeeldheid werkt "verdubbelend": zij is een gave van den GEEST, een ontvangen uit de VOLHEID van den één makenden ONVERDEELDEN.

creatief spreken is één maken: de bestaande wereld hierennu nù hiér laten plaats hebben in het perspectief van haar OORSPRONG en UITEINDE, als "werk van UW handen", als "door HEM ontstaan", als wonder "op UW woord". het is spreken op ONS gelijkend: "God sprak: er weze licht. En er was licht." het is spreken op UW woord, zó als het WOORD, nl. uit en in her innering van al wat IK u heb gezegd door den GEEST. op het spitsuur, uit piekervaring. het is dichten. het is poëzie: het wonder van een wonder lijke visvangst.

 

3.1. op UW woord is het geheim van de poëtica en de poëzie van den dichtenden dichterlijken. hij werpt het net uit op UW woord. on verdeeld één met én gelijkend op het WOORD "verdubbelt" hij de bestaande wereld: het waarnemen ervan, het denken erover, het bewerken en het uitspreken ervan. dààr om is de poëzie in de LIJN op de LIJN van de SCHRIFT het in menslijke gedaante onder ons wonend WOORD van GOD onder ons geschiedend naar UW woord.

3.2. hoog gespannen, maar terwille van die mens lijke gedaante niet té hoog, in het bereik van den reikhalzenden. in de poëzie wordt de bestaande wereld (de dingen en de mensen) aanschouwelijk voorgesteld op haar OORSPRONG lijke en UITEINDE lijke plaats: 10 meter bóven den platten grond. dààr verschijnen de dingen als "gelijkenissen", de mensen als het beeld van GOD, op ONS gelijkend. de "gelijkenissen" in dienst van den mens om dit op ONS gelijkend een vasten grond te geven opdat hij zijn waarheid, waardigheid en waarde niet zou vergeten, zich zou her inneren al wat IK u heb gezegd. "Ik noem u geen dienstknechten meer, maar vrienden."(Joh.15/15)

 

4. dit hoog gespannen karakter van de poëzie van den mens op ONS gelijkend is geen rhetoriek. zij is, gewoon ongewoon, in eenvoudigen vorm het schitteren als de zon en wit zijn als sneeuw van het ons gegeven materiaal. het is haar eigen, niet haar vreemd.

4.1. rhetoriek is haar vreemd, is een valse schittering en witheid, de gezwollen vorm van gewoon ongewoon. men vergisse zich niet, men duwe den mens uit en in een vals realisme niet plat op den platten grond, onder de wilde dieren, vergetend dat de engelen hem dienen. (Marc.1/13)

4.2. rhetoriek is een leugen: een vorm die het materiaal verraadt. een wolf in schapevacht. zij is de negatie van het poëtische én van de poëzie. de vlag dekt de lading niet. zij is een ijdel spel met de woorden, "aarde" die haar levensadem niet heeft gevonden: die ogen heeft, maar niet ziet, oren, maar niet hoort, voeten, maar niet kan lopen (zó als in het BOEK geschreven staat over de afgodsbeelden). rhetoriek is het resultaat van knepen van het vak die niet tot leven worden beADEMd, het resultaat van ADEM nood. een teken van leven is dat de woorden glimmen van den glans van de waarheid, den glans van al dat lééft.

4.3. kunstmatigheid kan niet rijmen met waarachtigheid, levensechtheid. en uit der aard kunt gij er niet in geloven. een kunstgreep heeft geen houvast. er gebeurt geen wonder. hij kan verbluffen, maar niet verbijsterend, verbazend boeien. de kunstgreep verliest zich in de aanschouwing van zijn eigen beeld.

het poëtische laat zich niet vangen met kunstgrepen, en uit der aard verzet poëzie zich tegen kunstgrepen. eerlijk tegenover het poëtische en den eenvoud van den vorm respecterend, blijft zij trouw aan het poëtische.

 

5.1. het poëtische is hoog gespannen: schitterend als de zon en wit als sneeuw op den berg. het is de eenzame positie van het GEHEIM en het WONDER, waaruit en waarin "de aarde" van gedaante verànderd wordt, "het aangezicht van de aarde vernieuwd".

om het te bereiken, moet de mens meegenomen worden naar den top van den berg, onderweg gereed gemaakt worden om het te schouwen, deel te nemen aan de eenzame positie van het GEHEIM en het WONDER. noodgedwongen daalt hij naar het dal, woont hij onder de mensen, "op aarde", maar hij draagt de her innering van de bergervaring mee. zij zal het gezicht van "de aarde" vernieuwen in zijn poëzie op momenten van piekervaring.

om het te bereiken, zal hij de zuigkracht van het dal, dat, vreemd genoeg, geneigd is hem zijn bergervaring te doen vergeten, moeten overwinnen. hij zal bij den ENGEL moeten blijven om niet gevangen te worden in de, soms subtiel verborgen, strikken van het dal. want het dal is de natuur lijke plaats van het uitbundig, zo niet losbandig feest, de herberg waar er voor het poëtische geen plaats is.

5.2. ascese is vrij blijven tegenover de subtiele manoevers, manipulaties, berekeningen waarmee het dal zijn monopoliepositie bewaart en versterkt bij de massa. vrij blijven kan alleen die het geluk heeft den ENGEL als gezel te hebben. alleen de ENGEL begint, houdt in stand en voltooit de waar heid, waardigheid en waarde van het poëtisch woord. alleen de ENGEL kan een mens de helderheid en kracht geven eerlijk en eenvoudig te spreken, uit en in het geloof in zijn woord op ONS gelijkend. (meer gehoorzamend aan het WOORD -al wat IK u heb gezegd- dan aan de mensen).

 

6.1. het poëtische "op aarde", en uit dér aard de poëzie, is meer dan van den mens het domein van den ENGEL, van het GEHEIM en het WONDER, het àndere gezicht van "de aarde": dat schittert als de zon en wit is als sneeuw. "De kunstenaar als mens dient dus geheel in de schaduw te treden, zijn persoonlijke emoties hebben op zichzelf niets te betekenen en interesseren ons ook niet. Wat hij ons moet meedelen, heeft hij door 'inspiratie' gekregen, het werd hem bij genade geopenbaard. Niet zonder reden werd hij dan ook een 'begenadigde' genoemd en spreekt men over 'dichten bij Gods genade'. Ieder kunstwerk heeft dan ook als het ware een sacrale         waarde, en niet zonder reden werden godsdienst en kunst vaak tot een geheel versmolten of in ieder geval met elkaar verbonden."(Max Wildiers, De muziek der sferen, p. 76)

6.2. "de muziek der sferen" is het poëtische op aarde: het "klinken" (voor de oren) en het "blinken" (voor de ogen) van de SCHEPPING en het VERBOND onder ons, de harmonische "verdubbeling" van HEMEL en aarde. het wordt den dichterlijken "bij genade geopenbaard" om het dichtend uit te spreken (te verkondigen). uit dér aard is het object van zijn poëzie het poëtische, het naar onze wijze op onze wijze voor ons "verschijnen" van de SCHEPPING en het VERBOND, en niét zijn eigen persoon ("zijn persoonlijke emoties").

6.3. dichten is verkondigen: het her inneren ("openbaren") van al wat IK u heb gezegd (de muziek der sferen, het poëtische) door den GEEST (inspiratie) hierennu nù hiér articuleren, in de geschiedenis laten geschieden naar zijn VOLTOOIING toe. de "inslag" van den GEEST begint het, houdt het in stand en VOLTOOIT het.

is het niet zó dat het WOORD de visie der anderen (plato enz.) heeft vernieuwd en VOLTOOID toen de VOLHEID der tijden gekomen was? de goden heeft HIJ vervangen door GOD, MIJN VADER die in de hemelen is; de dichtenden zijn de tolken van GOD; de dichtenden zijn 'bezeten' door den her innerenden (inspirerenden) GEEST, 'die zich van hen in dat bepaalde geval meester maakt'. (Plato, Jo,334e,335a)

SAMEN met het WOORD neemt de dichtende dichterlijke deel aan het vernieuwen en VOLTOOIEN der tijden, op zijn door den GEEST verrijkte, vergrote en verméérde wijze.

<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>


begin boeken levensverloop contacteren

Ernest Bornauw /Provijnsstraat 2 /3020 Herent /België
Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
Als gebruiker mag u het werk kopiëren, verspreiden, tonen en op- en uitvoeren onder de volgende voorwaarden:
• Naamsvermelding. De gebruiker dient bij het werk de door de maker of de licentiegever aangegeven naam te vermelden.
• Niet-commercieel. De gebruiker mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken.
• Geen Afgeleide werken. De gebruiker mag het werk niet bewerken.
• Bij hergebruik of verspreiding dient de gebruiker de licentievoorwaarden van dit werk kenbaar te maken aan derden.
• De gebruiker mag uitsluitend afstand doen van een of meerdere van deze voorwaarden met voorafgaande toestemming van de rechthebbende.
Het voorgaande laat de wettelijke beperkingen op de intellectuele eigendomsrechten onverlet.
Bewerkt voor internet door Bart De Wolf
desheerens.com is online sinds januari 2005