|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1. Wat gij schrijft, begint vòòr en reikt tot in het nà. het is in de geschiedenis einde loos begin loos en uit der aard groter dan de geschiedenis, groter (d.i. rijker, méér) dan het hierennu nù hiér. het is vervuld van on grijpbare connotaties, altijd weer verrassende opflakkeringen van betekenissen, het gewoon ongewoon schitteren van het VERBORGENE in het onverborgene, van her inneringen van den GEEST. connotaties worden gemaakt en ons gegeven door den GEEST. zij zijn in ons woord, maar niét er van; zij worden ons te ZIEN gegeven door den GEEST; zij zijn het leven van ons woord: een verbijsterende, verbazende, boeiende vreemde aanwezigheid van helderheid en kracht onder ons voor ons, naar wijd en zijd en altijd en overal on verpoosd on verdroten open openend.
2. zij openen wat wij een boek noemen. een boek moet open blijven, on begrensd. het moet bewegen, groeien, leven.
2.1. het begint vóór het begint. het reikt tot in het vóór, tot in het geheim van het in den beginne waarin àlles begint. het eindigt niet, reikt voorbij zijn einde tot in het nà, het geheim van wat niét voorbijgaat. en uit dér aard is een boek begin loos einde loos, groter dan ruimte en tijd.
2.2. zijn betekenis verschijnt in den tijd, altijd weer op nieuw omdat zij groter, méér is dan die der tijdjes van den tijd. zij is on beperkt en uit der aard on begrens-, on bepaalbaar. zij laat zich niet definitief en on herstelbaar toeëigenen, overmeesteren, gevangen houden en gebruiken. zij blijft bewegen, altijd weer op nieuw geboren worden in den tijd en in de ruimte.
2.3. een boek blijft open in betekenis voor al die leeft. het geeft elk tijdje van den tijd de betekenis die het nodig heeft om te leven. een betekenis die het tijdje vóór is, al vérder reikt dan het tijdje en het meetrekt naar het nà toe, het UITEINDE lijke. de betekenis geeft UITZICHT, trappelt niet ter plaatse, maar reikhalst, verlangt en verlengt.
3. een boek is nooit af en kan niet uitgelezen worden. het nodigt uit om opnieuw gelezen te worden.
3.1. het is verbonden met OORSPRONG en UITEINDE en wijst uit der aard naar het GEHEIM en het WONDER die er zich geheime lijk wonder lijk in verhullen en er zich tóch geheime lijk wonder lijk in ont hullen.
3.2. toegankelijk voor. het GEHEIM en het WONDER gaan naar den lezer toe en openen zich voor hem naar zijn wijze op zijn wijze. en genoeg. een boek is wezen lijk toegankelijk voor die in het geheim van het boek zijn ingewijd (er deel aan hebben) omdat zij er voor open staan (er deel aan nemen). die innerlijk open (toegankelijk) zijn krijgen toegang (het boek gaat open voor hen). de welwillendheid van het GEHEIM en het WONDER correspondeert met de welwillendheid van den lezer.
3.3. trekt zijn welwillendheid aan en op. een boek is wezen lijk aantrekkelijk: de AFGROND erin roept naar den afgrond van den lezer (zijn reikhalzen, verlangen naar verlenging, naar begin- en eindeloosheid).
4. openheid is verlangen naar on verdeeldheid, de één heid van het GEHEEL van hemelenaarde, van SCHEPPING en VERBOND.
4.1. een boek is een deel van het GEHEEL. het heeft deel aan dat GEHEEL, is wezen lijk ont sluiting en ont vouwing van de SCHEPPING en het VERBOND in de geschiedenis, is hierennu nù hiér naar ónze wijze op ónze wijze openbaring van OORSPRONG en UITEINDE op weg onderweg naar het punt OMEGA. een boek is zonder dit opgenomen en gedragen zijn door het GEHEEL gedoemd om te verdorren, zó als de rank die van den WIJNSTOK is afgesneden. verbonden is het naar vóór en nà open op het GEHEEL dat groter is dan het deel, dat de ZIN is van het deel. uit dér aard wijst het deel vérder dan, voorbij zichzelf, naar het GEHEEL: den GEEST van den VADER en den ZOON.
4.2. de rode draad door een boek, die er vooraan in en er achteraan uit komt, is de GEEST: de éne, éénheid scheppende GEEST. de GEEST die de geschiedenis en ons geschieden er in begint in den beginne, hierennu nù hiér in stand houdt, en VOLTOOIT in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. de rode draad is de hoor-, zicht- en tastbare aanwezigheid van den GEEST (het in den beginne en den nieuwen hemel en de nieuwe aarde) er in. de GEEST is het principe van de één heid van het boek op zichzelf én met het GEHEEL, waarbij de één heid op zichzelf geboren wordt uit de éénheid met het GEHEEL. met den GEEST.
4.3. uit dér aard is een boek wezen lijk GEEST lijk GEEST rijk, ligt het con spiratief, con textueel en intertextueel in de LIJN op de LIJN van het BOEK. het is wezen lijk verzameling van vonken van den GEEST, een weide met duizenden dauwdropdiamanten, alle even kostbaar, alle morgen lijk antwoord op het schijnen van de zon onder ons over ons. een uiterlijke verzameling gedragen door de innerlijke en door den roden draad waaraan alle boeken geregen zijn verbonden.
4.4. altijd oud altijd nieuw. het nieuwe is zo oud als de straat én ouder dan. het reikt tot in al wat IK u heb gezegd, dit is tot in alles wat er gezegd is en te zeggen valt. want de dauwdroppen schitteren alleen maar als diamanten als de ZON er in schijnt. hun schittering is het LICHT dat ouder is dan de straat en elken morgen nieuwer.
5. en uit dér aard is het boek altijd -on voorbijgaand- oud én nieuw.
5.1.altijd verhullend ont hullend door zijn deelnemend deelheben aan den wezen lijk voor onze wijze verhulden, maar ZICH naar onze wijze op onze wijze voor onze wijze (welwillend mens lievend) ont hullenden GEEST van den VADER en den ZOON. op de wijze van het elken morgen morgen lijk nieuw in de morgen lijke stilte aan ons verschijnend oude. elken morgen, d.i.
5.2. blijvend. op de wijze van kruis en verrijzenis, van in den morgen op staan uit den nacht. elken morgen is het ons (naar en in verlenging van den paasmorgen) gegeven uit den nacht der verhulling (ons kruis) op te staan in het vers, fris, stil LICHT der ont hulling. de verrijzenis -het opstaan- is en heeft het laatste woord: het woord dat niét voorbijgaat.
5.3. dat on doodbaar is. een boek is uit en in zijn open heid on doodbaar. het is een elken morgen morgen lijk op nieuw geboren teken van leven, een vredig vrij en vrolijk opstaan uit den nacht (van ons kruis) en het graf (van den dood). het is hierennu nù hiér al in den OORSPRONG en het UITEINDE zijn.
6. en uit dér aard is het boek wezen lijk: "een verdere bevestiging en verklaring van ons geloof". epiloog: de verlenging van het woord van "de leerlingen" door een leerling van "de leerlingen". de GROND van zijn open heid is het door den GEEST in- en aangeblazen verlangen geschiedelijk hun en ons geloof in hun geloof in GOD den VADER, GOD den ZOON en GOD den GEEST te bevestigen en te verklaren. d.w.z. in de lijn op de lijn van "de boeken...die er over te schrijven zijn" die boeken te schrijven, het evangelie te verlengen in den tijd.
het evangelie van johannes blijkt niet te eindigen, open te blijven naar de andere boeken die er over te schrijven zijn. en zelfs dat blijft open vermits het "den leerling" dunkt dat "zelfs de wereld die boeken niet zou kunnen bevatten". de open heid van het boek is de weerspiegeling van de open werkelijkheid van den SCHEPPER en Zijn SCHEPPING (onze geschiedenis), die wezen lijk groter is dan. het is geroepen ons uit dér aard open geloof in die werkelijkheid die groter is dan wij te bevestigen en te verklaren, het "veel meer dat Jezus gedaan heeft...stuk voor stuk te schrijven".
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
