|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1. Er is een sterke verschuiving van de aandacht naar den mens in de mensen. goed en kwaad blijven her- en erkend en zuiver uit en in den mens gezien. naastenliefde ruikt naar godsdienst en werd geruisloos vervangen door humaniteit, medemenselijkheid. hoewel: what's in a name? op zichzelf betekenen de termen naastenliefde en medemenselijkheid hetzelfde, maar het aandachtig gebruik ervan (uit weten wat men zegt) verwijst naar den niet te onderschatten "achtergrond" van waaruit men spreekt: de gelovende mens spreekt uit en in GOD den VADER SCHEPPER, de "humanist" uit en in den mens.
2. medemenselijkheid is "een waarde op zichzelf, los van geloof in GOD", zegt de humanist. dit impliceert dat de mens bepaalt wat voor de mensen goed is en kwaad, en wel op grond van de rede. goed is redelijk, kwaad onredelijk. goed handelen is rede lijk handelen, slecht on redelijk. plus de idee dat de mens het rede lijke redelijk aankan, wil. dit is, gezien de feiten, een op zijn minst zeer optimistische visie. een visie die gestoeld is op een bepaald, humanistisch, standpunt, waarin "liberalisme" en individualisme om den hoek komen kijken. de vraag is alleen of dit het juiste mensbeeld is: of de mens gezien kan worden los van GOD, en of het uit dér aard met die "waarde op zichzelf" zo'n vaart loopt.
3. de gelovende "ziet" uit en in zijn geloof in GOD den VADER SCHEPPER de mensen (den mens) als het werk van UW handen, als -naar het pittige bijbelse beeld- beADEMde "aarde". d.w.z. wezen lijk, grondig, door en door opgeHEMELde "aarde". de mensen zijn -als wezen mens- OORSPRONG lijk, van in den beginne waarin ze beginnen, "gedoopt" in GOD den VADER SCHEPPER (en voor den christen in GOD den ZOON VERLOSSER en GOD den GEEST VERZAMELAAR). met àlle gevolgen van DIEN voor hun medemenselijkheid. zij wordt onderhuids, "in het verborgene", d.w.z. on bewust, onderbewust of bewust, opgeHEMELD. concreet betekent dit
3.1. dat die medemenselijkheid in feite liefde is, méér dan een product van de rede: van redelijkheid, redenering of berekening. liefde onder de mensen, op aarde, die een afstraling van den hemel, van GOD (LIEFDE) is. liefde onder de mensen is GOD lijk, een gave van GOD, den mens ingeschapen, uit haar aard door GOD gedragen en mogelijk gemaakt. zij is een verrijkte, vergrote, verméérde "waarde op zichzelf", ook als de mens dat niet ziet, niet "ervaart", en zelfs als hij het niet wil zien. echte medemenselijkheid glanst als liefde van den glans van GODS LIEFDE, schittert als de zon en is wit als sneeuw. zij is in den liefdevollen mens rijker, groter, méér dan dien mens en vergroot hem tot (in hetverborgene) rijker, groter, méér dan. "Es waltet ein Gott in uns." (hölderlin)
3.2. er is uit der aard in den medemenselijken mens onderhuids, in het verborgene, een geloof. zijn liefde zelf getuigt van geloof, van een "doopsel van verlangen", een on bewust, onder bewust geloof in GOD Die LIEFDE is. een daadwerkelijk -zij het niet opgeschreven, geregistreerd, in de gemeenschap der gedoopten opgenomen- geloof. een geloof in stilte, in de binnenkamer, dat op zijn wijze met het beleden geloof van de gedoopten verbonden is en door hen her- en erkend wordt als een gave van den GEEST. het is een op de uitgesproken vreemde welwillendheid der gelovenden gelijkende vreemde welwillendheid.
3.3. reële medemenselijkheid is bovendien een teken van hoop. als liefde van de LIEFDE en geloof in het verborgene is zij gedragen door hoop. d.w.z. door het (wellicht on of onderbewust) UITZICHT op VOLTOOIING, op het in het goede ingeschreven "dat niets of niemand verloren gaat". medemenselijkheid is onderhuids gedragen door de hoop dat niets verloren gaat, dat niets tevergeefs is. dit is geen rede lijk optimisme, maar een uit en in verborgen geloven ingeboren optimisme: een hoop die in het verborgene gedragen is door geloof in de verrijzenis, de on doodbaarheid van de liefde.
4. op de keper beschouwd, uit en in geloven, herkennen wij in de humanistische medemenselijkheid (de waarde op zichzelf en gezien los van GOD) het "altaar aan den onbekenden god", op grond waarvan paulus in athene jezus CHRISTUS predikte. de "ongekende" GOD is in het verborgene aanwezig in de echte medemenselijkheid. ook als de humanist -zó als de grieken- op grond van zijn "filozofische overtuiging" de verrijzenis niet aanvaardt omdat zij on rede lijk is, is er onderhuids in zijn ethisch handelen zelf verrijzenis aanwezig. liefde overwint den dood. d.w.z. dat het ethisch leven op aarde, ingeschapen, uit zijn aard zelf, reikhalst naar VOLTOOIING in den hemel. ethisch leven in het heden (hierennu nù hiér) reikt al nù hiér tot in het verleden (zijn OORSPRONG) en al tot in de toekomst (zijn UITEINDE). dit is: diep innerlijk "weet" die ethisch leeft dat niets van dit leven voorgoed verloren gaat, dat dit leven UITZICHT heeft. uit en in den "ongekenden" GOD.
5. voor paulus (den gelovenden mens) den "gekenden" GOD: jezus CHRISTUS Die als GOD de ZOON WOORD GOD den VADER SCHEPPER uitspreekt en ons door het leren en her inneren van GOD den GEEST "Mij doet kennen en den Vader Die in den hemel is". de christen gelovige is gedoopt in den NAAM van den VADERZOONGEEST. en uit dér aard is zijn medemenselijkheid gedragen door de LIEFDE van GOD, met GODS LIEFDE verbonden: de wijn van de druiven van de rank aan den WIJNSTOK ("Hebt elkaar lief zó als Ik u heb liefgehad."). door zijn medemenselijkheid (zijn naastenliefde: tweede gebod gelijk aan het EERSTE) is de christen op aarde het "lichaam" van CHRISTUS: CHRISTUS naar onze wijze op onze wijze onder ons hoor-, zicht- en tastbaar. de christen is de "getuige" van CHRISTUS: aan den lijve ervaarbare verrijkte rijkere, vergrote grotere, verméérde méére waarde op zichzelf van de medemenselijkheid. "als het nog donker is" een beLICHT lichtend licht op den kandelaar. zijn ethisch leven is, als vrucht van zijn liefde, tot geloof in en hoop op GOD den VADER, GOD den ZOON en GOD den GEEST beADEMd tot "een levend wezen", tot vrijheid, vrede en vreugde voor altijd.
6. is er verdienste? in eenvoud van het hart gewoon ja. hij heeft iets gedaan. hij heeft, in den geest van den GEEST, vrij en vrolijk deelgenomen aan de SCHEPPING en het VERBOND: opdat niets zou verloren gaan. zij het door den GEEST geleerd, her innerd, d.w.z. fel geholpen.
is er beloning? ja. "Ga binnen in de vreugde van den Heer." die ethisch leeft, is al in de vreugde van den HEER: "een goede en trouwe knecht, die over veel zal gesteld worden". de eenvoud van het hart neemt alle angst om in dit tijdje te denken aan en te spreken over verdienste en beloning weg. terwille -niet van het men heeft u gezegd, maar- van het IK zeg u: het ons door den GEEST geleerd en her innerd al wat IK u heb gezegd.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
