|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Er staat in het eerste BOEK een merkwaardige uitspraak over (afgods)beelden "die ogen hebben maar niet zien, oren hebben maar niet horen, voeten hebben maar niet kunnen lopen". vernietigend. er blijft niets van over. een leven (dit is ziel-)loos lichaam. leven is horen, zien, lopen. méér nog: luisteren naar, eens letten op, weten waarheen te lopen. luisterbereidheid (gehoorzaamheid), zienbereidheid, loopbereidheid is het geheim van leven van al dat leeft. het geheim via het lichaam ziel te worden, zó dat het leven van het lichaam teken van leven van de ziel wordt. d.w.z. uit luisteren het horen vergroot wordt tot HOREN, uit letten op het zien tot ZIEN, uit bewogenheid het lopen tot geschieden.
1. het is goed onze wijze te her- en erkennen. en daarin is begrepen ons "aards" (lichaam lijk) op aarde zijn. het is ons gegeven als een goed, als een conditio sine qua non van ons VOL wassen, en uit der aard moet het in ons geschieden, ons mens worden worden geďntegreerd. ons lichaam is het teken van leven van onze ziel, de goede grond voor een honderdvoudige vrucht.
1.1. als "aarde" op aarde is onze lichaamlijkheid de natuur lijke plaats waarin wij naar onze wijze op onze wijze onze wijze zijn. dit is: hoor-, zicht- en tastbaar, onverborgen. eigen aan onze wijze is onverborgenheid: waarneem-, denk-, doen- en voelbaarheid die de toegang tot het verborgene (on waarneem-, on denk-, on doen- en on voelbare) zijn. dat betekent dat het onverborgene geheimelijk wonder lijk rijker, groter, méér is dan het op het eerste gezicht lijkt te zijn. én dat het de (onmisbare) plaats is waarin het verborgene te voorschijn komt, zich "toont". uit der aard is onze lichaamlijkheid een teken van leven, en is het niet alleen wijs, maar ook noodzakelijk, eens te komen kijken, eens te letten op. "de aarde" is de naar onze wijze op onze wijze vaste grond voor het kennen van het (onmisbaar in en onder ons aanwezige) verborgene. zij brengt zelf haar vruchten voort: de honderdvoudige vrucht van de (boomse) kennis van de schepping als SCHEPPING en van de (bijbels geBOEKte) relatie van de schepping met den SCHEPPER als VERBOND. de GEEST "gebruikt" het lichaamlijke als gelijkenis van het GEESTlijke om in ons het onhoor-, onzicht- en ontastbare te her inneren, en bevestigt uit dér aard de fundamentele belangrijkheid van het (ons en de dingen eigen) lichaamlijke en de kennis ervan. HIJ bevestigt, onderstreept en promoveert de belangrijkheid der verbeelding doordat HIJ zelf spreekt, d.w.z. (booms en bijbels) her innert "in gelijkenissen". er is onder ons de wijnstok met ranken, druiven en wijn én het woord van het WOORD: "Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken." dit is: het on vergrijsbaar, on verzuur-, on verslijt-, on doodbaar prototype van alle gelijkenissen en elk "spreken in gelijkenissen".
1.2. "de aarde" (het lichaam lijke) ont sluit "den HEMEL" (de ziel). zij is de natuur lijke plaats van het booms (door gelijkenis) en bijbels ("in gelijkenissen") her inneren van de ziel, het verborgene, het rijker, groter, méér dan door den GEEST. door eens te komen kijken naar, eens te letten op "de aarde", dit is ons waarnemen, denken, voelen en geheugen te vergroten met de gave der verbeelding, stoten wij dóór "de aarde" heen door tot "den HEMEL", het wezen lijk rijker, groter, méér dan, de ziel van onze lichaamlijkheid.
de verbeelding -ons zien van gelijkenissen en "spreken in gelijkenissen"- bevestigt de verheerlijking, de "verrijzenis" van onze lichaamlijkheid, van haar "ziel". zij onderstreept haar "functie" van teken van leven van de ziel, van haar waarachtigheid, waardigheid en waarde als natuur lijke plaats waar het ont sluiten van "den HEMEL", het verborgene, plaats heeft, en uit dér aard van VOL wassen op aarde.
2. gehoorzaamheid is vreemd welwillende tedere toegankelijkheid voor de gave der verbeelding: het zien van gelijkenissen en "het spreken in gelijkenissen". zij is de gave van geloof die den mens van gedaante verŕndert tot dichterlijken en dichtenden mens: die gelijkenissen ziet en "in gelijkenissen spreekt", op grond van lichaamlijkheid vervuld en verVOLd wordt van den GEEST en uit dér aard in denken, doen en dichten "de aarde" opHEMELt, het lichaam bezielt.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
