|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1. De anecdote luidt als volgt. Op zekere dag werden enkele, gepensioneerde, mensen opgetrommeld om, uit noodzaak, een uitvaartviering met het zingen der gezangen een beetje optefleuren. Zij bleven dat tot op vandaag voor elke uitvaart in de kerk doen. Meer nog: zij vermenigvuldigden zich, en het werd een koor. Zó dat dit eerste feit achteraf de geboorte bleek te zijn van "ons vrijwilligerskoor", zoals de parochiepriester het zo strelend in elke uitvaartviering in aanwezigheid van de familie en alle anderen noemt.
Met de jaren kwam er, onder de stuwende leiding van de dirigent en zijn helpers, een zekere Schwung in, en zelfs een bescheiden ambitie, die resulteerde in het opluisteren van huwelijksjubilea en zelfs -vieringen. Het koor leeft.
2. Bij naderen en scherper toekijken is te zien dat een toeval (de voorgaande priester huiverde bij de gedachte dat hij in de viering zou moeten zingen en klampte een persoon aan om enkele andere samenteroepen en zo de klus voor hem opteknappen) meer bleek te zijn: een "goede" zaak, waarvan de vruchten een heel koor toevielen. Dit toeval had, in het verborgene, zijn geheim, dat openbaarde dàt en hoe het veel rijker, groter, méér was dan (wat men zegt) een louter doof, blind, lamlendig toeval te zijn. En dit gebeurt in de ogen van die naderen en scherper toekijken, wel meer, en zelfs veelvuldig.
Wat is er hiér aan de hand? Een geheim: een in het verborgene geheime lijk wonder lijk in de feiten aanwezig licht en aanwezige kracht, die de feiten met ZIN verrijken, vergroten, vermééren, hun eerste gezicht een tweede, VOL gezicht geven, dat zijn OORSPRONG heeft in het GEHEEL, in de werkelijkheid zó als zij is, die wij niet maken, maar die ons in en over wat wij maken heen toevalt, overkómt. Het koor van vrijwilligers is méér dan wat het op het eerste gezicht schijnt te zijn. het is het wonder van "den graankorrel in goeden grond". Elke vrijwilliger "groeit" en alle samen "groeien", samengeworpen, on-, onder- of bewust, tot een "koor": VOLheid van verzameling die groter is dan gewoon een koor; een gemeenschap met het gezicht van alle gezichten, een naam van alle (voor)namen.
3.1. Een graankorrel groeit organisch, van binnen uit, uit de in de kiem, de halm, de aar in het verborgene, uit SCHEPPING en VERBOND intens creatief aanwezige KIEM, zó dat de groei in wezen het geheim van een wonder-op-UW-woord is. Die groei resulteert on-, onder- of bewust in zuivere, gelouterde dienstbaarheid. Het zingen van het "koor" wordt VOLheid van dienst aan de kerkgemeenschap uit en in het overstijgen van het eigenbelang van elk afzonderlijk en allen samen.
3.2. Er is een groei in aantal leden. Een "koor" werft, vermenigvuldigt zich om de een of andere reden (gekend worden, uitnodigen van een lid, innerlijke aantrekkelijkheid, impact van "succes"). Het geeft een steeds luider klinkend teken van leven.
Trouw (die zich uit in aanwezigheid) stimuleert doordat zij de zaak uit en in een rijpe zin voor verantwoordelijkheid voor de gemeenschap ernstig neemt. Er zijn wordt, is en blijft een al dan niet vroeg of laat begrepen verworvenheid met 30-, 60-, 100-voudige vrucht als van "de aarde, die vanzelf haar vruchten geeft". In feite is de GROND van de groei in aantal leden: gewoon natuur lijke zin voor, en uit der aard verlangen naar dienstbaarheid. Zij alleen brengen tot en houden een "koor" in stand.
3.3. Er is groei in "optreden". Optreden wast van binnen de oorspronkelijke oevers van één uitvaartviering naar buiten in de vorm van zingen voor alle uitvaartvieringen, af en toe een huwelijksjubileum en -viering.
Dit "koor" is bescheiden, heeft geen andere naam dan "vrijwilligerskoor" (van bedaagde, rustende en uit der aard over "tijd" beschikkende en een deel van die tijd ter beschikking houdende en stellende mensen). Een naam zonder "naam", maar, en tóch, en zie: met een in het verborgene zekere faam, die zich uitdrukt in dankbetuigingen en, wat zich laat vermoeden, al even bescheiden onopgeëiste pecunia.
Die groei in optreden stimuleert, meer dan de idee van het toch nog ergens voor te dienen, iets te betekenen waar anderen uit zich er te goed voor voelen of geen tijd ervoor te willen maken en dus niet te hebben, tenzij..., het laten afweten, de geest van zuivere, onbaatzuchtige stille dienstbaarheid, die "goede" geest van GODS Heiligen GEEST is. Wat liefst niet onderschat moet, integendeel niet overschat kan worden.
3.4. Er is -bóven al- groei in gemeenschap. Elkaar regelmatig ontmoeten om hetzelfde "werk" (als "koor" in koor zingen) tot een goed einde te brengen, schept uit der aard, "als vanzelf", toenadering: een diepere kennis en groeiende genegenheid. De plaatsen worden dezelfde plaatsen en men vindt ze steeds bezet. Er is geen leegte meer waar het "koor" samenvloeit, -hangt en -werkt.
Bovendien wordt het werk geleide lijk geleidelijk bijgewerkt, groeit het repertorium in kwanti- en kwaliteit door "herhalingen", waaraan het eigen is dat de sfeer "losser" is dan in de kerk. Er kan worden gepraat, en dat wordt er ook. Temeer daar er, weer als bij toeval, een geschikt "lokaal" gevonden, in feite gekregen werd. Wat ongedwongener, vrijer samenkomen dan in de pastorie bevorderde doordat men weet niet meer te "storen". Het is een sympathiek -zij het niet boven-, dan toch- benedenzaaltje, met af en toe een "maaltijd".
Want stilaan ontstond de idee verjaardagen van 80-, 75- en minder jarigen te "vieren" aan de koffietafel. Wat het peil der "sfeer" uit der aard de hoogte in jaagt en het "koor" zijn verstevigt. Er is nog niemand uitgegaan, noch (gelukkig) uitgevallen, tenzij de zuster van Bethlehem met haar welgevormde en welklinkende stem. Maar ingevallen en ingebleven zijn er wel.
Dit groeien is de rijpe vrucht van het geheim van belangloze dienstbaarheid, waaraan het gewoon eigen is -niet te verstrooien, maar- te verzamelen uit en in den "goeden" geest, die van de Heilige GEEST is. Die "goede", en uit der aard goed doende goeddoende geest, is het geheim van het "koor" als kleine kerk binnen en in dienst van de grote.
4. Zó doende, zó zijnde, is het "koor" een beeld van dàt en hoé een deel opgenomen is in het geheel én, dieper, in het GEHEEL. Het "toont" dàt en hoe "de aarde vanzelf haar vruchten geeft" als men, caring and being lucky, in haar gelooft en zich los, vrij en vrolijk on geremd en on gehinderd aan haar toevertrouwt. Dit is: de graankorrel een kans geeft door "goede grond" te zijn de gewoon natuur lijke plaats om te kiemen, eerst groene halm, daarna aar, en daarna aar op haar wijze 100-voudig vol rijp graan te worden.
Een vrijwilliger schept uit "goede" geest "goede" geest. Een koor van vrijwilligers is uit zijn aard "onsterfelijk" doordat de ene afgrond de anderen toe-/oproept. De stem van ieder afzonderlijk is uit en in het geheel rijker, groter, méér dan en "vermenigvuldigt zich" geheime lijk wonder lijk uit en in de geest van het GEHEEL, Dat onverpoosd, onverdroten verzamelt. Zó dat als er één vrijwilliger valt, er tenminste een andere klaar staat om te vervangen. "Ons vrijwilligerskoor" heeft toekomst uit en in geloof in het diep geheim van een vrije wil, dat GRONDT in het GEHEIM van zijn SCHEPPER.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
