Aantekeningen van Ernest Bornauw
"uit God geboren", met UITZICHT op in GOD terugtekeren


begin boeken levensverloop contacteren

Op aarde zó als in den hemel (2000)

<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>

De ziekte/zucht van het verdelen

 

            1.1. de geschiedenis vertelt ons dat mensen zich overweldigd voelden door krachten die hun krachten te boven gingen. goede: die hun voorspoed en de daaraan verbonden levensvreugde bezorgden; kwade: die tegenspoed veroorzaakten en uit der aard angst. zij gingen zich enerzijds op de wijze van offers brengen aan "goede" goden toevertrouwen, en anderzijds zich op dezelfde wijze aan "kwade" onderwerpen om ze te paaien. vele goden, waarvan zij "beelden maakten" om ze te "zien" en te "aanbidden"; om in leven te blijven.

            1.2. in den loop der tijden verscheen er onder de volkeren een volk dat zich, met vallen en opstaan, van de vele door hun buren vereerde goden begon af te wenden en "geïnspireerd" zich tot één god te keren; Jahweh, onze God, de Heer. dit proces zette zich doorheen vele eeuwen van steeds sterkere bewustwording door en kreeg een vasten vorm van verering op de wijze van zich gedragen weten door en het onderhouden van de woorden van de "Wet", rechters en koningen, profeten en wijzen, die in "heilige boeken" opgeschreven werden. door die verering werden zij een hecht volk, een gemeenschap van mensen die zich door den HEER geschapen, geboren en getogen wisten en meteen samen op weg gingen van bevrijding uit het land van de slavernij naar "het hun door de HEER beloofde land, het land zelf". zij legden eerste gedenkstenen op "heilige" plaatsen, uiteindelijk bouwden zij den groten gedenksteen van den tempel in de heilige stad, middel- en verzamelpunt voor hun verering.

            1.3. het was, te midden van de verdeling, het proces van samenwerping, verzameling, die, wat zij uit de woorden van de "WET" en de Heilige Boeken konden aflezen, niet alleen gold voor de stad en het land, maar voor de hele wereld, alle volkeren der aarde. ook hiér dus een tendens tot samenwerpen, verzamelen. op grond van -dat begonnen zij zich aftevragen, én dat begonnen zij zich te realiseren- de éne HEER: SCHEPPER van hemel en aarde, "Vader van alle volkeren". zij gingen begrijpen dat verzamelen  op de eerste plaats niet het werk van mensen was, maar het werk van den HEER, Die Zijn regenboog als een teken van Zijn VERBOND met alle naties en talen over de hele aarde spande.

            en inderdaad: verzamelen is het werk van den HEER. de éne GOD veréént Zijn schepping, werpt dingen en mensen, mens en mensen, mensen en mensen samen door den band van liefde, die een vonk van Zijn wezen, de LIEFDE, is. alles en allen "graag zien" verzamelt; waar dit ontbreekt, ontstaat er verstrooiing. verzamelen is niet gegrond in een ideologie, een "filosofische" overtuiging, in een plat "humanisme", maar in het VISIOEN van de on verdeelde éénheid van "aarde" en "HEMEL" zó als de HEER HET "sprak" en "schreef", en door Zijn Woord aan "de profeten" en "de leerlingen" toetevertrouwen maakte dat "het geschreven staat". het VISIOEN, uit het LICHT van GODS Heiligen GEEST gekend en uit Zijn KRACHT gekund, is de VASTE GROND van de on verdeeldheid van hemel en aarde. geloofsgeheim. een geheim, dat, door den zélfden GEEST geleerd en in herinnering gebracht, enigszins vóór de ogen van die, uit het LICHT en de KRACHT van den zélfden GEEST, geloven als wezen lijk de natuur lijke plaats van het GEHEEL "verschijnt" en opklaart.

 

            2.1. het VISIOEN "toont" het enige en enige GEHEEL, waarin alle delen niet alleen opgenomen zijn, maar ook hun plaats vinden en innerlijk on verdeeld leven. één met den énen énen HEER. één met "den HEMEL".

            "de HEMEL" is het GEHEEL. VOLHEID van LIEFDE. in "de HEMEL" is er geen verdeeldheid; en uit dér aard is er in den hemel geen verdeeldheid. er is geen verdeeldheid tussen het BEGIN en het UITEINDE: BEIDE zijn -hoe moeilijk het ook voor mensen, die op de aarde zijn, is dit te zien, aantevoelen, te begrijpen en te verbeelden- eeuwigheid. hebben zij, door dat er vele tekens daarvan zijn en het de mensen gegeven is die tekens te "lezen", een vermoeden ervan, zien zij de eeuwigheid als een beminnelijk menslievend antwoord op hun vraag: "Wat na ons bestaan op aarde?", begrijpen kunnen zij haar niet. zij ontsnapt steeds aan elke poging van het verstand haar in begrippen vast te leggen, aan elke poging van de verbeelding zich een voorstelling van haar te maken, aan elk (rechtvaardigheids)gevoel. zij moet geloofd worden; zij is een "beproeving" van het geloof. maar anderzijds betekent dit geloof een zucht van opluchting doordat het een zekere zekerheid geeft dat op aarde niets voorbij, niets verloren gaat, maar alles "ten hemel wordt opgenomen".

            2.2  "de aarde" (schepping), met de aarde met al wat en wie er op is, is een geschenk van "den HEMEL", een van "den HEMEL" (den SCHEPPER) niet te scheiden én in zichzelf niet te verdelen deel van het GEHEEL. dàt "toont" het VISIOEN, ver beeldt de regenboog. dàt "tonen" de tekens aan die "het brandend braambos" naderen en scherper toekijken, en uit dér aard de STEM horen, Die er uit opklinkt. het wonder van "de aarde" en de aarde verkondigt luid, hoor-, zicht- en tastbaar, het WONDER van "den HEMEL". het WONDER van de on verdeelde on verdeeldbare éénheid van "aarde" en "HEMEL". toegegeven: HET verbijstert ons verstand, verwart ons gevoel, daagt onze verbeelding uit. maar, en tóch, en zie: HET IS er. én HET zendt zijn signalen, die van "de aarde" zijn, op aarde uit.

            2.3. de aarde is, als de natuur lijke plaats van ons bestaan, als de grond voor ons om op beide voeten op te staan, en dus "vast", ons als medeschepsel heel nabij. dit is: ons te horen, te zien en te tasten, en uit der aard te voelen, te overdenken, te verbeelden, te doen en uittespreken gegeven; de plaats waar wij ontvangen, geboren en getogen worden en langzaam VOL wassen. moeder aarde; vader aarde; vriend aarde. niet alleen letter, maar ook geest, die doordat zij een deel van het GEHEEL is, van den Heiligen GEEST is.

            de aarde is on verdeeld één. een leefwereld. ons milieu. de tuin ons gegeven om hem, "spelend", bewarend te bewerken. OORSPRONG lijk "goed" geschapen; een "paradijs". de ons gegeven plaats om midden in het veld te schouwen in de diepten van den hemel. haar treft geen "schuld", die uiteenwerpt. zij is "zonder zonde", en uit dér aard één. één ook door het feit dat zij signalen van haar OORSPRONG, van "den HEMEL", uitzendt, sporen van den SCHEPPER in zich draagt en "toont". zó doende tendeert zij naar samenwerpen, verzamelen: niet alleen op de wijze van de dingen met de dingen, maar ook van de dingen met de mensen en de mensen met de mensen. de dingen "tonen" de mensen spontaan, vrij en vrolijk en te vreden, wat verzamelen is.

                        "...en 't windtje kwam,

                        en 't windtje woei, en wabberde om

                        uw stam, die op en neder klom!";

                        "O, krinklende, winklende waterding,...

                        wat zien ik toch geren uw kopke flink

                        al schrijven op 't waterke gaan..."

                        "...dat, blomme, gij mij bidden doet,

                        en wezen zoo ik wezen moet:...";

                        "Ik ben een blomme...";

            de aarde is, samen met de mensen er op, deel van het VISIOEN van de on verdeelde éénheid van "HEMEL" en "aarde". uit dér aard geldt ook hiér:

                        "Wat God verbonden heeft,

                        zal een mens niet scheiden."

als de mens, wat de feiten bewijzen, wat GOD verbonden heeft, uiteenwerpt, verwildert hij; wat de feiten eveneens aantonen.

 

            3.1. er is onder de mensen verdeling, verstrooiing, uiteenwerpen gekomen. hun wijze van de dingen onderzoeken is gaan steunen op de dingen uiteen doen: analyse. wat de idee inhoudt: dat het ding in zijn geheel bekijken niet tot volle kennis leidt, maar wel het ding deeltje per deeltje onderzoeken. met de bedoeling deeltjes weer samentestellen tot een nieuw geheel: synthese. de slogan: "Verdeel en heers!" ging de ogen openen en het -met succes- doen. althans op materieel vlak. maken werd een ding (gegeven "stof") verdelen om dan de delen weer tot een nieuw ding samentestellen. tot door verdelen en samenstellen het maken van een nieuwen mens toe.

            3.2. maar: verdelen is afbraak van het geheel door het scheiden van stof en geest erin. de blik wordt verengd door het "staren" naar de delen, door het verlies van den blik op het geheel. de dingen onderzoeken om ze te kennen is specialisatie geworden: een soort bijziendheid waardoor de "verte" vaag, mistig wordt. dit is: de nieuwe dingen beletten den blik op het geheel; de letter verliest den geest, doodt, en leidt uit der aard ten dode. tot een valsen kijk op de dingen.

            3.3. de valse kijk is: het zien van de dingen, niét zó als zij OORSPRONG lijk zijn, maar zó als zij door mensen gemaakt zijn. los van hun oorsprong, van het BEGIN.

            vader en moeder worden, op grond van het onderzoek der delen, beperkt tot een "stof" lijk biologisch fenomeen, dat doordat het louter "stof" lijk is, alle kanten uit kan. wat momenteel aan het gebeuren is. de vader wordt "stof", de moeder wordt "stof", en het kind wordt "stof" uit en in de louter materiële samenstelling van de twee. dit "stof" lijk te werk gaan heeft als gevolg dat alles vader, alles moeder kan zijn; dat vader moeder en moeder vader kan worden. in vitro.

            de kijk op vader is door beperking tot de letter vervalst, en zó die op moeder, en zó die op het kind. de OORSPRONG lijke geest in vader en moeeder en kind zijn is er uit. zij zijn het resultaat van een technische bewerking, een ont zield product aan het worden. de technische mens maakt den mens van de toekomst. met alle gevolgen van dien: science fiction. een glazen, stalen mens, wiens toekomst uit den aard van zijn begin met het glas en het staal eindigt.

            3.4. dit scheiden, uiteenwerpen, is een ziekte, een manie, een zucht aan het worden. een mee slepende, alle horen verdovende, zien verblindende en tasten verlammende infectie, die de hele aarde doordat zij dingen en mensen ont aardt, van hun BEGIN en UITEINDE berooft, aantast.

            de materie is voor de mensen, die er op aarde zijn, zo aantrekkelijk, fascinerend, omdat zij in het bereik van het verstand van de mensen ligt en zij -denken zij- ermee kunnen doen wat zij willen. wat een gevaarlijke uitdaging is, in feite een "beproeving" van hun gehoorzaamheid aan de schepping als SCHEPPING en hun verbondenheid met al dat leeft als VERBOND. de vraag is: "Zijn de mensen de meesters van de aarde, of de beheerders ervan?"; "Zijn zij gerechtigd de schepping te verdelen om te heersen (ze te beheersen), of zijn zij verplicht het geheel te bewaren om te dienen?"; "Roepen zij zichzelf om den tuin (zoals hij daar toevallig ligt) naar willekeur, of zijn zij geroepen om hem (hem zó als hij hun gegeven is) bewarend te bewerken?"; "Is verdelen de glorie van hun vrijheid, of verzamelen?"; "Is verdelen geen ziekte, maar een teken van glanzende gezondheid?".

            het juiste antwoord op die vragen, en het juiste gedrag als gevolg van dien, is niet het resultaat van een op eigen kracht verstandelijk doorploegen van de ons omringende, omgevende werkelijkheid, maar van een uit en in geloven gekregen geheime lijk wonder lijken blik erop, die de ogen niet alleen voor het zicht-, maar ook voor het onzichtbare opent, de letter met geest bezield schouwt. voor dié blik "verschijnt" de schepping als SCHEPPING en de verbondenheid van al dat leeft als VERBOND. met alle gevolgen van DIEN: dat de aarde alleen zó als in den hemel zichzelf kan worden, zijn en blijven; hiér en nù uit en in het BEGIN en tot in het UITEINDE geboren en getogen wordend, uit en in het BEGIN en tot in het UITEINDE VOL kan wassen en VOLTOOID worden.

 

            4. het bewerken van de aarde door de mensen, die op aarde zijn, kan niet plaats hebben uit uiteenwerpen, verstrooien, versnipperen, maar alleen uit samenwerpen, verzamelen, die het werk zijn van den "goeden" geest, die van den Heiligen GEEST van GOD, Die in den hemel is. de "goede" geest in de mensen doet die mensen, uit en "naar Hem luisteren", "in Mij geloven" en "Mij volgen", verzamelen op de wijze van er op aarde (al) zijn zó als in den hemel. dit is: zó als "er geschreven staat" met "den HEMEL" samenvloeiend, -hangend, -lopend en -werkend; uit en in met den in spirerenden "HEMEL" con spirerend, de klei tot "een levend wezen" beADEMend. AMEN. amen, en daarmee uit.


<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>


begin boeken levensverloop contacteren

Ernest Bornauw /Provijnsstraat 2 /3020 Herent /België
Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
Als gebruiker mag u het werk kopiëren, verspreiden, tonen en op- en uitvoeren onder de volgende voorwaarden:
• Naamsvermelding. De gebruiker dient bij het werk de door de maker of de licentiegever aangegeven naam te vermelden.
• Niet-commercieel. De gebruiker mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken.
• Geen Afgeleide werken. De gebruiker mag het werk niet bewerken.
• Bij hergebruik of verspreiding dient de gebruiker de licentievoorwaarden van dit werk kenbaar te maken aan derden.
• De gebruiker mag uitsluitend afstand doen van een of meerdere van deze voorwaarden met voorafgaande toestemming van de rechthebbende.
Het voorgaande laat de wettelijke beperkingen op de intellectuele eigendomsrechten onverlet.
Bewerkt voor internet door Bart De Wolf
desheerens.com is online sinds januari 2005