|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Het ons verbijsterend, verbazend, wonder lijk boeiend
geheim van het woord. óns woord. want onder alle dingen der schepping is het alleen aan de mensen gegeven te kunnen spreken.
1.1. de mens vormt de uit de longen stromende en door de stembanden tot geluiden geproduceerde lucht door het, louter fysiek, lichaam lijk, werken van mond en neus en lippen tot een heleboel van elkaar verschillende typisch "mens lijke" geluiden om, die wij klanken noemen. die variatie van klanken moet de eerste mensen geboeid hebben, doen merken dat zij, precies door die veelzijdigheid, van de door dieren voortgebrachte geluiden verschillen, en doen "denken" dat uitsluitend zij aan hen, aan mensen, eigen zijn. klanken zijn echter nog geen woorden.
1.2. maar mensen zijn meer dan louter lichaam. zij zijn ook geest. geest lijk moeten zij er toe gekomen zijn die klanken samentewerpen, tot woorden te verzamelen. woorden, die namen zijn. zij konden "noemen": de dingen van binnen (gevoelens, gedachten, verbeeldingen, herinneringen) en van buiten (hun omgeving) een naam geven. dit is: zij konden uitspreken, articuleren, klanken tot woorden vormen.
1.3. tevens zijn mensen sociaal. zij zijn ook onder elkaar samengeworpen, verzameld, en uit der aard in staat met elkaar in contact te komen, te communiceren. heel waarschijnlijk hebben zij dat eerst gedaan door gebaren. maar toen zij konden woorden articuleren, heeft het werken van den geest hen er toe in staat gesteld die woorden met elkaar tot zinnen te verbinden en uitspreken, articuleren, op te tillen tot spreken: tot meedelen van de in de woorden verborgen gevoelens, gedachten, verbeeldingen en herinnering. meedelen is communiceren, woorden wisselen, tot een gesprek komen. zij hadden een door overeenkomst "geschapen" gemeenschappelijke taal. en taal vormde gemeenschap, "toonde" de onderlinge door territoriaal samen horen en samen leven gekenmerkte verbondenheid.
zou de wijze waarop tot vandaag toe een kind leert spreken, geen beeld kunnen zijn van de wijze waarop het spreken der mensen in de geschiedenis is geschied? zou de geschiedenis zich ook niet op dit gebied herhalen?
1.4. fysieke "overbevolking" en psychische "verdeeldheid" moeten de mensen (het "verhaal" van den toren van babel) uiteengeworpen, verstrooid en verspreid hebben. met als gevolg van dien: vervormingen van de oorspronkelijke woorden en het oorspronkelijk spreken en uit der aard het ontstaan van meerdere, over de hele wereld verspreide, talen. "wereld" talen. het fenomeen waarmee wij vandaag geconfronteerd worden en waaraan verbonden is dat wij, de mensen van hiér en dààr en ginder, zó als de bouwlieden van den toren van babel, elkaar, niet alleen "fysiek", maar ook "geest lijk", niet langer verstaan.
2.1. articuleren en spreken zijn het geheim van den mens. een kostbaar geschenk van DIE de mensen heeft geschapen. zij zijn de mensen als een afglans van DIE
"sprak: Er weze licht. En er was licht.",
"Laat ons de mens maken naar Ons
beeld en gelijkenis."
ingeschapen. het geheim spreken is een vonk van het GEHEIM van GOD den VADER, SCHEPPER, van het WOORD VERLOSSER, en de Heiligen GEEST VOLTOOIER der mensen; het geheim van op ONS gelijkend, wonder lijk op UW woord, geheime lijk wonder lijk woord lijk benoemen, ver talen.
"Zó als de mens ze zal noemen,
zó zullen zij heten.".
uit dér aard houden de gearticuleerde en de gesproken woorden meer in dan zij op het eerste, oppervlakkige, gezicht zeggen. in hun diepte "openbaren" zij het geheim van "de aarde", de schepping, en het geheim mens.
het geheim mens, omdat het hem beminnelijk menslievend gegeven is de schepping te benoemen, een naam te geven. die naam is meer dan een etiket, een formule, een flatus vocis. de mens heeft, op Ons gelijkend, wonder lijk op UW woord, het vermogen woord lijk te scheppen, de dingen te doen zijn en leven. articuleren en spreken betekenen niet alleen de woorden, maar ook de dingen te doen leven, de hun SCHEPPING lijk ingeschapen diepte in ze, afglans van den SCHEPPER, hun dichterlijkheid, naar de oppervlakte te brengen. dit is: op aarde zó als in den hemel. met als gevolg van dien
2.2. dat een mens met de woorden niet al doet wat hij wil. hij is, als beheerder en niet als eigenaar, tegenover de woorden gehoorzaamheid uit luisterbereidheid verschuldigd. dit betekent: tegenover de waarheid die zij in zich dragen en bergen.
woorden die de waarheid van de werkelijkheid geweld aandoen, ontaarden, verkrachten die werkelijkheid en zijn uit der aard on waarachtig, GOD en mens on waardig en on waarde. zij zijn niet van den "goeden" geest, die van den Heiligen GEEST is, en uit der aard producten van den "bozen" geest, die van "den bozen geest" is.
de woorden van hiér en nù dragen van in den beginne door de eeuwen heen een vonk van het LICHT van DIE, eerst, het licht schiep en ze, de WAARHEID, het LEVEN, den WEG belichtend, doorheen de eeuwen VOL laat wassen. die VOLheid uit Zijn VOLHEID is hun grootheid, hun glorie, en wordt door mensen -zó als het WOORD- niet "ongestraft", dit is niet zonder met doofheid, blind- en lamheid geslagen te worden, gehoond, gegeseld, met doornen gekroond en aan het kruis geslagen.
3.1. de echte, en uit der aard duurzame woorden (die niet voorbij-, niet verloren gaan, van eeuwig leven zin) zijn in wezen be-, doorleefde woorden (vécues avant d'être prononcées"/dom a. guillerand).
deze uitspraak van een monnik houdt in: dat het leven van een mens zijn spreken schraagt, bezint, bezielt, maar ook dat er geen tegenspraak mag zijn tussen leven en spreken, spreken en leven. het woord dat uitgesproken, gearticuleerd wordt, moet eerst be leefd zijn. zijn waarheid is de waarheid van een leven; woorden van een leven dat liegt, zijn woorden die liegen. een feit, dat -wat uit hun uitspreken blijkt- vele "kunstenaars", "letterkundigen", niet begrepen, eventueel niet hebben willen begrijpen, en uit der aard niet gepratikeerd hebben.
3.2. spreken is articulatie van leven. dit is: intens aandachtig en creatief, met het hart bij de dingen en uit der aard vreemd welwillend tegenover en teder toegankelijk voor wat zij ons dichterlijk te vertellen hebben, op aarde aanwezig zijn. de VOLheid van hun dichterlijkheid "openbaart" de VOLHEID van hun SCHEPPER, zó dat voor een mens leven betekent: uit en in Zijn VOLHEID van WAARHEID, LEVEN en WEG in de VOLheid der dingen "verschijnend", mét de dingen geboren en getogen worden en VOL wassen. zó als de dingen dichterlijk, en meer als de dingen dichtend. spreken is in zijn VOLheid dichten: via de beleefde dingen zó als de dingen de WAARHEID, het LEVEN en den WEG "verkondigen". leven is: uit en in die LEEFT geboren en getogen worden, VOL wassen en die VOLwassenheid in woorden uitspreken.
zó spreken is een opdracht. een mens kan spreken om zó te spreken. uit der aard is het zijn "plicht" niet alleen, caring and being lucky, tot echt leven VOL te wassen, maar ook het woord met uiterste zorg te hanteren, er op te letten dat het die VOLheid van leven dichterlijk dicht. on verdeeld; zonder tegenstellingen niet alleen in het leven, maar ook tussen het leven en de woorden. dàt bevestigt de monnik fijnzinnig in:
"En Dieu, il n'y a plus de contraires."(id.)
4.1. het màg. het kàn. het moét. want uiteindelijk uit en in her innering door den Heiligen GEEST van "al wat Ik u heb gezegd". van het WOORD.
"Alle geheimen van Jezus baden in een licht van
boven, dat de zielen vergroot en bevredigt.
Altijd en overal doet Hij voorbij de vergankelijke
verschijnselen zien en onthult Hij diepten.
Een straal van oneindig en eeuwig licht
flitst uit al wat Hij zegt, uit al wat
Hij doet op. Zijn onbegrensd wezen
"verschijnt" in elken stap die Hij zet en
in Zijn eenvoudigste gebaren.".(id.).
"tout ce qu'il dit", "tout ce qu'il fait". in feite uit "al wat Hij IS": een geheime lijk wonder lijke éénheid van GOD lijk LEVEN voor óns hoor-, zicht- en tastbaar geworden op de wijze van de éénheid van Zijn leven als mens, onder ons op aarde.
4.2. als mensen naar Hem luisteren, in Hem geloven en Hem volgen, zullen zij, "vergroot en bevredigd", ervaren: dat zij "altijd en overal voorbij de vergankelijke verschijnselen ZIEN en diepten onthullen"; dat er "een straal van oneindig en eeuwig licht opflitst uit al wat zij doen en zeggen". dit is: dat zij op aarde doen en dichten zó als in den hemel; dat hun woorden uit en in een VOL gewassen leven als be leefde woorden VOL zijn.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
