|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1. De schepping ("de aarde") is wezen lijk tijd lijk. dat betekent: dat zij "ooit" is begonnen, "geboren is"; hiér en nù "getogen wordt" om VOL te wassen; en "ooit" zal eindigen, "sterven". zij is er, hoewel vóór en vermoedelijk nà, geheime lijk wonder lijk, alle zinnen van de mensen verbijsterend, verbazend, maar boeiend, voor de mensen, "in dienst van de mensen".
zij verloopt van verleden over heden naar de toekomst. wij weten vandaag dat binnen dit verloop het bestaan van de mensen plaats heeft op de wijze van een verleden lijk begonnen, heden lijk plaats hebbend, en toekomst lijk eindigend verloop. wij weten ook dat het begin van de mensen niet reikt tot het begin van den tijd, maar niet of het eindigen van de mensen zal eindigen met het einde van den tijd. maar veel belangrijker voor de mensen is: dat dit hun verleden, heden en toekomst wezen lijk met elkaar verbonden zijn op de wijze van samenvloeien, -hangen, -lopen en -werken. het verloop van elken mens afzonderlijk en alle mensen samen is wezen lijk on verdeeld één. zó dat het ene er niet alleen samen met de andere is, maar ook dat het ene het andere be invloedt.
2. de ruimte is, doordat zij hoe ook te groot voor ons is, voor ons on voel-, on denk- en on voorstelbaar, begrensd. maar één. een heelal. dàt "leren" ons de ons te zien en uit der aard te "bestuderen" gegeven sterren. het aanschouwen, maar vooral het schouwen van den "sterrenhemel", geven ons te voelen, te denken en te verbeelden. er is voor onzen geest werk aan "den winkel" doordat hij ons niet alleen uitnodigt, maar ook dwingt ons voelen, denken en verbeelden geheime lijk wonder lijk te overstijgen. dit is: zich over het wonder van het heelal te buigen én zich ervoor te buigen op de wijze van in het midden van het veld schouwend in de diepten van den (sterren)hemel verwonderd te bewonderen. te geloven dat die ruimte geen "toeval", geen werk van mensenhanden, maar het werk van den SCHEPPER van hemel en aarde is.
3. de tijd is, doordat hij hoe ook groter is dan wij, voor ons on voel-, on denk-, on voorstelbaar, begrensd. maar één. ook dàt leren ons de sterren doordat hun bestaan door ons door geen getallen uit te drukken is.
on gekend is zijn begin, maar het was er; on gekend zijn einde, maar het zal er zijn. wél is gekend dat zijn begin er was vóór het begin van de mensen, en dat (vermoedelijk) zijn einde er zal zijn nà het einde van de mensen. wél weten wij niet alleen dat hij er is voor de mensen, maar ook dat het verloop van elken mens afzonderlijk en alle mensen samen volkomen past in zijn verloop, geheime lijk wonder lijk er mee verbonden is. ook de tijd is geen "toeval", geen werk van mensenhanden, maar het werk van den SCHEPPER van de schepping.
meer nog: het verleden, het heden en de toekomst van de mensen zijn delen van een groots geheel. zij verlopen samen, verzameld. het ene deel is niet alleen verbonden met de andere, maar bepaalt en wordt door de andere bepaald. geboren worden, getogen worden, VOLwassen en sterven zijn één, maken -in het verborgene, geheime lijk wonder lijk- samen het geheel van het bestaan van een mens én de mensheid op aarde uit. met als gevolg van dien: dat het goed is zich daarover te buigen én zich ervoor te buigen. dit is: zijn mens zijn zonder "morren" te aanvaarden zó als het OORSPRONG lijk is, hiér en nù blijft, en UITEINDE lijk zal blijven. volgens de SCHRIFT: altijd en overal helemaal, van ontvangenis over het geboren en getogen worden, VOL wassen en sterven heen, van in het BEGIN en tot in het UITEINDE "geschreven in de palm van Gods hand".
4. dit is: de tijd en al dat leeft in den tijd zijn gedragen door "den HEMEL". zó als "de HEMEL" eeuwig is en één, zó is het bestaan van een mens en van de mensheid op aarde uit en in "den HEMEL" in feite eeuwig, één. eeuwigheid uit EEUWIGHEID; éénheid uit EENHEID. "HEMEL" en "aarde" vloeien in elkaar op de wijze van "de aarde" uit "den HEMEL"; verleden, heden en toekomst vloeien in elkaar uit en in de EENHEID van "den HEMEL".
dit betekent: dat het bestaan van een mens doordat zijn hiér en nù al in het BEGIN en in het UITEINDE is, in feite een eeuwig nù is; dat het -zij het in het verborgene, geheime lijk wonder lijk, op UW woord- op aarde al zó als in den hemel is. er is geen onderbreken, laat staan een breuk. het leven van al wat op aarde leeft, "vloeit" on verpoosd on verdroten te zelfder tijd verleden, heden en toekomst lijk al van in zijn OORSPRONG naar, tot in zijn UITEINDE.
die nadert en scherper toekijkt, ZIET hiér in het geheim, het wonder van het eeuwig leven. het is de VASTE GROND van zijn "geloven in het eeuwig leven", in het historisch feit: dàt, en hoé, en waarom zijn verloop op aarde in FEITE opgenomen is in zijn on verloop in den hemel.
met als gevolg van DIEN: Kann keine Trauer sein. d.w.z.: dat de gewoon natuur lijke bóven natuur lijke vreugde om zijn ontvangen en geboren worden op aarde, zijn ter wereld komen, niét verstikt in het -mens lijk- verdriet om zijn sterven op aarde...als hij zijn bestaan ZIET in het LICHT van "den HEMEL", sub specie aeternitatis. een "blijde boodschap" aan elken mens afzonderlijk en aan alle mensen samen door GOD den VADER SCHEPPER Zelf via GOD den ZOON VERLOSSER gebracht en in ons her innerd door GOD den Heiligen GEEST.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
