|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1.1. Het woord wild is een bijvoeglijk naamwoord door mensen in verband met mensen gemaakt. het be tekent een eigenschap van dingen die niet door mensen "gecultiveerd" zijn, niet door mensen "bijgewerkt". wilde bloemen, wilde ganzen, wilde dieren, wilde natuur, zelfs wilde mensen. dingen zó als zij natuur lijk zijn, natuur lijk de omgeving van de mensen uitmaken, én, zó als er in Genesis "geschreven staat", de mensen om te bewerken ter beschikking gesteld. in deze optiek erkennen zij het overwicht van de mensen en "vragen" zij hen bijgewerkt, gecultiveerd te worden. wat de mensen dan van in den beginne hebben gedaan en nóg, in versneld tempo en vergrote ruimte, doen.
1.2. dit "ingrijpen" is de mensen als een opdracht in functie van het verbeteren van hun levenssituatie op aarde ingeschapen. GOD de VADER SCHEPPER der aarde met al wat en wie er op is, heeft beminnelijk menslievend de mensen voldoende vermogens gegeven om den hun gegeven "tuin" te bewerken, en uit der aard ook bedoeld dàt zij dat zouden doen...ten leven. niet dat de wilde dingen op zichzelf niet "goed" waren, maar wel zó dat de mensen ze door ze te "bewerken" de aarde voor hen bewoonbaar zouden kunnen maken én ze -zich er thuis voelend en er thuis zijnd- zouden kunnen bewonen. dit is: de aarde, niet door de dingen te vernielen maar door ze in hun dienst te stellen, aan hùn levenswijze aanpassen.
dit door mensen bewerken is dus in feite een soort "tam" maken, "temmen", de dingen gewillig en gehoorzaam en volgzaam leren worden en voor ze "werken". en, wonder genoeg, de aarde is inderdaad geneigd en bereid met de mensen mee te werken op de wijze van "vanzelf haar vruchten voort te brengen". (wat er, tussen haakjes, op wijst dat de dingen niét zó "wild" zijn, en dat de mensen wijs dààr mee rekening zouden moeten houden.).
1.3. bewerken is dus een "kunst", een gematigd kunnen, een beheersen, een de dingen be handelen zonder de eigenheid der dingen in het gedrang te brengen, ze -zó als Genesis suggereert- bewarend bewerken. zó als het met al wat de mensen onbesuisd aanraken het geval is, is er het gevaar: dat die "kunst" zou ont aarden in gekunsteldheid, een soort manipulatie waardoor de dingen in feite niet aangepast, maar tot een kunst product gedegradeerd of erdoor vervangen (er setzt) worden. vandaar de noodzaak van matiging. dit is: van niét -ten dode der dingen én mensen- overheersen, maar -tot beider leven- beheersen.
het wilde heeft uit en in het BEGIN van in den beginne zijn soms ons verbijsterende, altijd verbazende en altijd wonder lijk boeiende schoonheid, waarheid en "goed"heid, die door de mensen gerespecteerd en bewonderd moeten worden. zijn "wilde en onvervalste pracht", zijn "niet dobbelen", zijn "dat blomme, gij mij bidden doet". het is dichterlijk, glanst van den GLANS van zijn SCHEPPER. en uit der aard is de rol van "cultuur" niet alleen het "stof"lijk aspect der dingen te verbeteren, maar ook dat te doen op een wijze dat de GLANS van den SCHEPPER er uit straalt. dit is: de "stof" een vorm te geven die, hun schoonheid, waarheid en "goed"heid accentuerend, het dichterlijke der dingen "toont", het "brute" bewerken tot kunst verheft. zó dat uit zijn werk blijkt dat de makende mens, meer dan een (door de kennis van de kneepjes van het vak) technisch kundige, een kunstenaar is. bewijst dat de wilde dingen, precies door hun ("onvervalste") wildheid, hun wezenheid van vóór den mens, een vreemde in zet hebben, die mensen tot (met "handen die hen zacht aanraken", schrijft pater l. vander kerken) kunstig verwerken ervan aan zet.
uit dér aard is kunst: door snoeien laten groeien.
2.1. iets anders is: verwilderen. dingen die door niet op hun plaats te blijven elkaar verdringen, veroorzaken verwildering: wild worden door afwijken van de oorspronkelijke kwaliteit en vorm. een appelboom, een bos, een vijver, een tuin, een stuk landbouwgrond, een huis, kan verwilderen en zó doende niet langer beantwoorden aan de kwaliteit en den vorm die voor mensen geschikt zijn; mettertijd de omgeving van de mensen door on goed zijn ontwaarden en verlelijken. verwildering is negatief. in feite te wijten aan gebrek aan zorg, care, vanwege de mensen.
het valt op dat als de hand van de mensen zich terugtrekt van de door hen "in orde" gebrachte dingen uit hun omgeving, die "aan hun lot overgelaten" dingen als vanzelf en mettertijd weer wild worden. los gelaten groeien zij "in het wilde weg" en in den weg van hun buren en verliezen uit der aard hun waarde, schoonheid en goed zijn.
dàt hebben de mensen in den loop van den tijd geconstateerd en zij zijn ertegen ingegaan door aan de door verwildering bedreigde dingen uit hun omgeving te werken, "orde op zaken te stellen". want het tegengestelde van verwildering is orde. en orde is een verworvenheid van den mens op grond van zijn zin voor waarachtigheid en waarde, goed- en schooheid. door dien zin aangespoord zorgt hij voor den appelboom, het bos, den vijver, den tuin, het stuk landbouwgrond, zijn huis, om verwildering van die "waarden" tegentegaan en te zelfder tijd het nut van die dingen voor hem te verzekeren. orde is positief: bevordert de dingen én de mensen.
2.2. maar, en tóch, en zie: ook de mensen kunnen verwilderen: hun ingeschapen zin voor orde, waarden, goedheid en schoonheid verliezen en "er op los leven", hun gevoel voor, verstand van en vermogen tot ver beelden, correct handelen en juist spreken verkwanselen. verwildering, die niet alleen voor de medemensen, maar ook -doordat zij niet langer zorg voor ze dragen- voor de dingen van de omgeving nare gevolgen heeft. zelf verwilderd, verliezen de mensen hun zin voor orde en laten zij ze verwilderen.
3.1. tot de opdracht van de mensen "de tuin bewarend te bewerken" behoort het "snoeien". de ervaring heeft hen geleerd dat snoeien doet groeien. orde voorkomt of herstelt wan orde.
- de appelboom wordt in toom gehouden door het wegsnijden van het overtollige gewas. daardoor bewaart hij zijn schonen vorm én brengt hij meer en betere vruchten voort. het vreemde ervan is: dat de "pijn" van het verlies om gekeerd wordt tot de "vreugde" om waarachtige en goede en schone vruchten;
- het bos wordt "gedund" om overwoekering te vermijden. zó dat de bomen elkaar niet in den weg gaan staan, de nodige levensruimte bewaren om VOL te wassen, en de struiken onder de bomen den bloten grond kunnen bedekken, vochtig houden en bemesten. bovendien worden de rijpe bomen op tijd en stond gerooid en door nieuwe, jonge vervangen;
- de vijver wordt zuiver gehouden door een al te weelderige groei der waterplanten te beperken en zó doende vervuiling van het water tegentegaan. water af- en toevoer wordt geregeld, en de vissen kunnen voort;
- de tuin wordt "bijgehouden" door wieden, omwoelen, bemesten, aan- en verplanten, wegsnoeien en scheren van het gazon;
- het veld wordt in het oog gehouden, 's winters met rust gelaten, in de lente opnieuw bewerkt om vanzelf zijn vruchten te kunnen geven, en in den zomer van die vruchten ontlast;
- het huis wordt gevolgd en daar waar het nodig is van kleine haperingen hersteld, of geverfd, of al eens gewassen.
3.2. snoeien, "ze met zachte hand aanraken", is voor dingen en mensen van levensbelang. het is de opdracht van mensen dingen en mensen na hun kiemen de optimale "omstandigheden" voor hun VOL wassen te verschaffen. ze niet alleen te laten.
dàt is precies de "spiritualiteit" van snoeien: niets of niemand alleen te laten. een mens die tot dàt inzicht komt en over de kracht beschikt om dat in simplicitate cordis met hart en ziel en verstand en al zijn krachten te doen, is zelf niet alleen. die "spiritualiteit" is in wezen "goeden" geest, een afglans van den Heiligen en heiligenden GEEST van GOD, Die in den hemel is. de Heilige GEEST heiligt door te snoeien. dit is: door den "bozen" geest uit te drijven en den "goeden" geest niet alleen te laten kiemen, maar ook on verpoosd on verdroten te bevorderen, VOL te helpen wassen. Zijn snoeien is geen "bemoeiing", geen "betutteling", geen dictatoriaal, laat staan sadistisch "vrijheid hinderen, belemmeren of onderdrukken". het is, doordat Hij de mensen beLICHT om te ZIEN en beKRACHT om te kunnen DOEN, in wezen: ze niet alleen laten, niet verweesd achterlaten, "met u zijn tot het einde der aarde". met als gevolg van DIEN: dat de mensen een helderen kijk krijgen op de noodzaak en de wijze waarop van het snoeien, en met de kracht om het te doen worden voorzien.
uit dér aard is snoeien dingen en mensen op de wijze van -uit liefde uit LIEFDE- ze met zachte hand aanrakend op aarde doen groeien zó als in den hemel. er komt op aarde een àndere dimensie bij, die van "den HEMEL" is. een zekere "gemakkelijkheid", spontaneïteit, vlotheid, die in deze harde wereld verwonderd doen opkijken, ernstige vragen doen stellen én een antwoord erop geven dat steevast verwijst naar in het verborgene gedane wonderen op UW woord: op aarde zó als in den hemel "vangen van 153 grote vissen", "horen van doven", "zien van blinden", "tasten van verlamden", "weer op staan van doden"; dat helder "toont" dat en hoe snoeien -hoé dan ook hoedanook, on loochenbaar, door het beeld dat de dingen der natuur voor ons ontplooien versterkt- doet groeien, en dat en hoe dit snoeien verwaarlozen, "vergeten", altijd en overal helemaal tot verwildering leidt.
AMEN. amen, en daarmee uit.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
