|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1.1. De dingen der schepping: het "hemelgewelf" en de aarde, zijn er vóór de mensen. meer: vóór voor de mensen. de mensen "verschenen" niet uit het niet in het niet. hun komst was door hun VADER SCHEPPER voorbereid, hun wieg (de tuin van de aarde onder de zon) door HEM voor hen moeder lijk gereed gemaakt. als een wonder bóven de wonderen van het heelal, dat in die het schouwen, het hart "zacht maakt en doet uit botten". en dàt is "goed", ligt volkomen in de LIJN op de LIJN van de schepping als werk van Zijn handen.
1.2. uit dér aard is het "goed" dat de mensen de hun omgevende dingen door te naderen en scherper toe te kijken goed in het oog houden. want die dingen zijn er niet gewoon zomaar, als een fantasietje van een speler die een spelletje speelt. zij zijn "de goede grond" waarop de mensen niet alleen materieel, maar ook geestelijk, VOL zó als zij zijn, kunnen kiemen en VOL wassen.
uit der aard is intens aandachtig op aarde aanwezig zijn de onvoorwaardelijke voorwaarde voor inzicht in en kunnen van, die het fundament zijn van het leven van de mensen op aarde. luisteren naar, eens gaan kijken hoe, den vinger steken in, resulteren in een juist voelen van en voor, een helder intelligent "lezen" van, een verhelderend ver beelden, een consequent handelen naar en "spreken in gelijkenissen-uit-gelijkenis", die het leven OP tillen op het niveau van leven dat voor de mensen is voorzien en hun VOL wassen helpt verwezenlijken. het kiemen en VOL wassen van die geestelijke gedragingen bepalen de waarachtigheid, GOD en mens waardigheid en waarde van het leven van een mens. zij "beademen" de "stof", de letter, het lichaam, zó dat wat in een mens "aarde" is, door den geest tot leven gebracht en de mens "een levend wezen" wordt. dit is: als "een levend wezen" wordt de mens bekwaam om al wat en al wie op aarde is, tot leven te brengen: gelijkend op de LEVENDE, "Die HEER is en het leven geeft", op aarde als heer van de schepping haar zó als in den hemel op nieuw te scheppen.
2.1. de vijgeboom is -maar niet alleen- "stof". als natuur uit en met de natuur leeft hij natuur lijk op de wijze van: dat eerst zijn twijgen op tijd en stond al zacht worden en beginnen uit te botten; dat er daarna bloesems komen; dat daarna de bloesems vruchten worden en langzaam rijpen voor den oogst; dat hij daarna weer kan gaan rusten tot zijn twijgen op nieuw zacht worden, en zó voort. in dienst van de mensen. voor de mensen is de vijgeboom: vruchten en (als zijn taak is volbracht) hout. niet meer, maar ook niet minder. dit is: materieel dan, genoeg op de wijze van alles.
2.2. maar on stoflijk meer. hij is, steeds in dienst van de mensen, een teken, een beeld van hun eigen leven. hij zwijgt niet; hij heeft een stem, spreekt de mensen toe en aan, heeft hun -if they care and are lucky- als waar en "goed" en schoon zijnde iets over waarheid, "goed"heid en schoonheid te vertellen. de vijgeboom leeft niet alleen lichaam en geest lijk op zichzelf, maar keert zich ook naar buiten en doet leven.
dat is zijn geheim. een de mensen verbijsterend, verbazend, wonder lijk boeiend geheim, dat hen, als zij tot schouwen komen, doet wonderen: wie is hij?; waar haalt hij dat vandaan? hoe kent hij zijn tijd en stond? wie heeft hem de opdracht gegeven de mensen te dienen op de wijze van staand, overeind, te leven en te sterven?; wie doet mensen mens wordend en zijnd en blijvend hem met zorg omringen en hem dankbaar zijn voor zijn gaven?; wie heeft den band gelegd, hem en hen verbonden?
de vijgeboom roept in en bij mensen vragen op, én beantwoordt ze op de wijze van teken zijn. zijn geheim "openbaart" de geheimen der schepping als vonken van het GEHEIM van den SCHEPPER. levend staande en staande levend straalt hij den glans van alle leven uit LEVEN uit. glanzend leeft hij, en levend glanst hij, en "toont" zó doende dat alle leven glanst van den GLANS van Die LEEFT. geschapen verwijst hij, naar zijn SCHEPPER verwijzend, naar den SCHEPPER van hemel en aarde. niet alleen, maar uit verbondenheid met alle andere dingen der schepping samen. samen met ze zingt hij, be GEEST waar, "goed" en schoon zijnd, uit en in het her inneren van den GEEST den lof van den SCHEPPER op aarde zó als in den hemel.
het hoeft ons dus niet te verwonderen dat jezus van nazareth CHRISTUS, als ZOON van den VADER SCHEPPER, den vijgeboom in Zijn blijde boodschap niet alleen vermeldt, maar ook tot voor- en toonbeeld voor de mensen stelt. Hij bevestigt hem in zijn waarachtigheid, GOD en mens waardigheid en waarde.
3.1. "...wanneer zijn twijgen al zacht worden
en beginnen uit te botten..."(Marc. 13/28).
dit wonder is elk jaar opnieuw te zien en aan die naderen en scherper toe kijken, aan dichterlijke mensen te zien gegeven. een dichterlijke en bóven dien dichtende mens als guido gezelle heeft nooit opgehouden zich door het ont luiken der dingen der natuur te laten verwonderen, het te bewonderen ("...en laat mij zwijgend wonderen.") en "in gelijkenissen uit te spreken". het zacht worden en uitbotten der twijgen heeft hij op honderden wijzen in honderden gedichten "bezongen". hij heeft dat ontluiken gezien, én, als "mirakel Gezelle", op zijn beurt in gedichten "vereeuwigd". dat de psalmist het verwoordde en jezus het in zijn gelijkenissen tot "gelijkenis-uit-gelijkenis" verwerkte, bleef na werken tot vandaag en zal blijven na werken tot het einde der aarde.
want het is een geheim, dat groter is dan het hart der mensen en uit der aard dat hart on verpoosd on verdroten zal blijven be- en ontroeren en tot dichten "dwingen". het openbaart de waarachtigheid der schepping, doet het "goed" zijn ervan oplichten, blijft door zijn schoonheid de mensen verwonderen en beweegt ze tot bewondering en dichten. niet op de eerste plaats omdat het zacht worden en uit botten op rijke vrucht doet hopen, maar omdat het telkens weer en telkens anders zijn geheim ten toon stelt en het doet verwijzen naar het GEHEIM van de SCHEPPING van den SCHEPPER ervan...dat alle zinnen te boven gaat. want het is een óns door den SCHEPPER gegeven teken van het leven-uit-Die-LEEFT van al dat leeft.
de SCHEPPER heeft niet alleen vader en moeder lijk het leven aan al dat leeft gegeven, HIJ heeft het ook op voedend, op trekkend, uit leidend be tekend tot zijn getogen worden en VOL wassen. HIJ heeft Zijn schepping niet (zum Tode) "geworpen", maar ze ten leven "ter wereld gebracht" en nooit alleen gelaten. dàt en hoé HIJ dat gedaan heeft, is precies het geheim van Zijn schepping, teken van Zijn GEHEIM. en dàt is precies wat jezus in deze "gelijkenis" van den vijgeboom wilde open trekken, ten toon stellen.
3.2. "Leert van de vijgeboom een gelijkenis.
Wanneer zijn twijgen al zacht worden en
gaan uitbotten, dan weet gij dat de zomer
nabij is. Zo ook, wanneer gij dit alles
("de zon zal verduisterd worden, de maan
zal geen licht meer geven; de sterren zullen
uit de hemel vallen en de krachten der hemelen
zullen worden geschokt/13,24-25) ziet gebeuren,
weet dan dat het (Zijn uitverkorenen verzamelen/
13,27) dicht voor de deur staat."(28/29.
de dingen der schepping dragen in/onder de hoor-, zicht- en tastbare "stof" verborgen tekens van de verborgen waarachtigheid, "goed"heid en schoonheid van "de dingen van God". tekens, die door GOD, Die in den hemel is, aan de mensen, die op aarde zijn, uit en in Zijn beminnelijke menslievendheid geheime lijk wonder lijk worden gegeven opdat zij zich bóven de "stof" zouden verheffen en terecht en overeind komen binnen het VISIOEN van de on verdeelde éénheid van "aarde" en "HEMEL", en als gevolg van dien "op aarde zouden gaan leven zó als in de hemel", opgeHEMELd. wat kàn, en màg, en moét.
want een mens is diep innerlijk, op den GROND van het hart en uit dien GROND, als "levend wezen" een dichterlijk wezen: if he cares and is lucky. dit is: als hij zijn oor door de letter niet laat verdoven, zijn oog niet laat verblinden en zijn vingers niet laat verlammen, van in den beginne bekwaam gemaakt om die tekens te zien en aan te voelen, te overdenken, te ver beelden, te doen en te dichten. dit is: zó als de vijgeboom dank zij den vijgeboom op tijd en stond "zacht te worden en uittebotten".
4. de vijgeboom is, met alle dingen der schepping samen, een ons overweldigend geschenk ten leven. wij zijn niet alleen. wij zijn niet "geworpen", maar worden ontvangen en geboren, aan de hand der dingen getogen en door de dingen geholpen VOL te wassen op de wijze van den graankorrel "in goeden grond". een ons verbijsterende, verbazende, wonder lijk boeiende werkelijkheid, die, doordat zij "het werk van ZIJN handen" is, groter is dan ons verstand, ons hart en onze verbeelding. groter op een wijze die ons niet "vernedert", "verdrukt", "verkleint", maar integendeel verbluffend, bevrijdend, opvrolijkend en bevredigend "vergroot". dit is: OP tilt tot de duizelingwekkende hoogte van 10 meter bóven den platten grond, onze natuur lijke plaats op aarde.
zeg niet: ik heb den vijgeboom zó niet gehoord; zeg niet: ik heb hem zó niet gezien; zeg niet: ik heb hem zó niet getast, alsof hij er niet zó is. werp geen odium op zo'n geschenk, want dan veroordeelt gij zelf uzelf. zeg niet, zó als die geïnterviewde mens zei: "De genade is aan mij voorbijgegaan.", want dan veroordeelt gij zelf uzelf. wijs is: de oren te luisteren te leggen, naderend de ogen wijd open te trekken, de vingers tot fijngevoelig tasten te oefenen. dit is: intens aandachtig op aarde aanwezig te zijn voor den hemel, "in het midden van het veld te schouwen in de diepten van den hemel". en uit dér aard GOD voor dit geschenk te danken en zó aanvoelend en denkend over en ver beeldend, doend en dichtend gelukkig te zijn.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
