|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1.1. Vogels zijn "levende wezens". zij vliegen van nature, "van binnen uit". vliegen is: hoezeer ook er op de aarde zijnde zich boven de aarde verheffen en zich, zichzelf zijnd, aan zijn wezen gehoorzamend, vrij, en vermoedelijk ook vrolijk en te vreden"in de lucht" bewegen. zie hoe àl die vogels naar hun wijze op hun wijze de lucht doorklieven, en hoe een ze aan- en naschouwende mens er innerlijk jaloers van wordt. zó vliegen is hem niet gegeven. en het is "goed", en wijs, niet alleen dat niet te verlangen, maar vooral dat -van ikaros lerend- niet te willen nadoen. menselijke wijsheid is vogels vogels te laten zijn, ze verwonderd aan- en natekijken en te bewonderen. meer nog: van ze te leren.
1.2. mensen perverteren het vliegen van vogels door ze te vangen en in een kooi optesluiten zó dat voor ze vliegen onmogelijk wordt. wat is een vogel nog als hij niet kan vliegen? zullen in de kooi zingen of in de kooi "praten", of door bezoekers bewonderend bekeken worden dit "verlies" compenseren? is het "goed" vogels het vliegen afteleren door ze te "temmen"? het is een zonde tegen de natuur, het tegengestelde van: met ze verbonden voor ze te zorgen, hen, met ons verbonden, niet te beletten voor ons te zorgen. verbondenheid breken is van den "bozen" geest. in een kooi is een vogel gebonden, niét verbonden. wat de gevangen vogel trouwens "toont" door te willen uitbreken om weer te kunnen vliegen. vogels binden is niet "meester zijn van de schepping", maar een zich ervan maken maken. met als gevolg van dien: dat het vogels onmogelijk gemaakt wordt óns de heerlijkheid, het geheim van het vliegen te onthullen.
1.3. zó als vogels kunnen vliegen moet iets heerlijks zijn. de vleugels uitslaan, opstijgen en snel en lenig en kunstig zonder hoogtevrees hoog in de lucht zijn gangen gaan, dat doet mensen niet alleen watertanden, maar ook (gij althans in uw nachtdromen) in hun dagdromen vliegen, en ervan dromen het door middel van spitsvondige apparatuur er op gelijkend te kunnen. vleugels te krijgen en ze te kunnen gebruiken.
2.1. vogels hebben mensen doen dromen. verlangen te kunnen vliegen. en zij hebben dien droom, althans op de wijze van gelijkend op, waargemaakt. zij bouwden en verbeterden en vergrootten en versnelden vlieg tuigen, helicopters, die zich, zich van de wetten der mechanica bediendend, van den grond opheffen en de lucht doorklieven. en de mensen met ze. met als gevolg van dien: dat de aarde in haar grootheid zo klein als een dorp werd. de reis rond de aarde is een peuleschilletje geworden, reusachtige afstanden worden "als in een oogwenk" overbrugd. ten bate van kennis en kunde, en ten prijze van "ongelukken".
2.2. maar, en tóch, en zie: tóch hebben de mensen het geheim van de vogels niet achterhaald. wel hebben zij den bouw van den vogel en hoe het komt dat hij kan vliegen bestudeerd en opgetekend, maar niet zijn geheim ontdekt. want dit geheim is het geheim van zijn leven. een vogel is geen tuig, geen kunstig in elkaar gestoken mecanisme, geen robot. hij leeft, en vliegt "van binnen uit". ingeschapen, gegeven, "als vanzelf". precies dit "als vanzelf" is zijn geheim. en precies dàt gaat de mensen te boven, doet ze verwonderd naar vogels kijken en blijven kijken naar, en ze als wonder bewonderen.
2.3. de verwezenlijkte droom van de mensen is niet meer dan "een halve droom". is eigenlijk geen wonder. hij is een prestatie die, al doet zij ons bewonderen, ons niet verwondert. zonder de dingen en hun wetten zou zij niet hebben bestaan. zij bestaat bij de gratie der dingen, die zo welwillend zijn zich -geheime lijk wonder lijk- het mens lijk vermogen van de intelligentie (kennen) en verbetenheid (kunnen) ter beschikking te stellen.
al vliegen mensen door middel van vlieg tuigen, tóch kunnen zij niet vliegen. hun droom is niet meer dan een "droom", die door hun nacht- en dagdromen "spookt". noem hun vliegen geen vliegen, hun tuigen geen vlieg tuigen. want: nader het vliegen der vogels eens en bekijk eens scherper hoé zij -gemakkelijk, hartsgrondig vrij en lustig en altijd weer zonder brandstof, zonder uurroosters, zonder accidenten, zonder angst en zonder hoogtevrees- als voor- en onovertreffelijke meesters van en in de lucht hun meesterlijk vliegtalent ten toon spreiden. zó dat wij niet kùnnen niét van ze houden. de merels duiken vliegensvlug naar de stukjes brood op het witbestoven glinsterend grasveld, de duiven, de mussen, én het roodborstje, met de pluimen dik uitgezet in deze straffe kou. elken dag opnieuw. slim genoeg om te weten dat de tafel voor hen wordt gedekt, en om er te zijn. zij doen den "droom" vergeten, hen bewonderen, en óns vrij en vrolijk te vreden doen zijn met het wonder dat wij naar ónze wijze op ónze wijze zijn. het wonder dat wij ze kunnen bewonderen en voor ze zorgen, en zó doende op ónze wijze kunnen "vliegen" inbegrepen. dit is: ons van den platten grond opheffen, de vleugels uitslaan en in de lucht zonder hoogtevrees naar hartelust hangen en wentelen.
3.1. de platte grond is: beneden. als "stof van de aarde genomen" op aarde. deels "aards". SCHEPPING. de natuurlijke plaats van de mensen om er met beide voeten optestaan. dagelijks brood; plaats van schuld; plaats van de schulden der schuldenaars kwijtschelden; plaats van het goede én het kwade, van goede en kwade dagen. plaats van het kwetsbare en onvermijdelijk te kwetsen en gekwetste lichaam.
beneden is het dek van het schip waarop de albatros machteloos met uitgespreide vleugels tot spot van de matrozen te bekketrekken ligt. de plaats waar de leeuwerik niet zingt omdat hij moet overleven. beneden is niet alles. de zwaartekracht, die vreemde "neiging" in de dingen die ze van boven naar beneden trekt, dit is "uit den hemel doen vallen", is een eigenschap en uit der aard een kenmerk van "de stof". beneden is de natuur lijke plaats van de materie, die de materie in mensen naar den platten grond trekt. het lichaam is log, reikhalst naar liggen, of kruipen. naar "stof vreten", naar "in het zand bijten".
beneden bekoort de mensen tot genoegen nemen met de materie en zich aan ze te vergapen door zich er wellustig in te wentelen en zó doende het boven te "vergeten".
de platte grond is er voor de mensen ook, is met de hele schepping een geschenk van den SCHEPPER aan het lichaam, aan "de aarde" in den mens. hij is hem gegeven als een tuin, een veld om te bewerken en bewaken en zó doende bewoonbaar te maken. maar, en tóch, en zie: hij is uit en in het feit dat er méér is, meer. veel, maar niet àlles. een deel van het GEHEEL. beneden werken en waken is wezen lijk deels. deels in functie van het àndere deels: van het leven van den "lichtvoetigen", "gevleugelden" geest, van den tot vliegen gemaakten en uit der aard reikhalzenden vogel in den mens.
3.2. het vliegen van den geest is wezen lijk een bóven den platten grond op vleugels drijven. is het lichaam log, de geest is licht, van "vleugels" voorzien en geneigd om te "vliegen". aan- en invoelen en voelen voor, denken over, ver beelden en houden van zijn karakteristieken van den geest die hoger op wil. dit is: zich van de materie afzettend op zoek gaat naar den zin ervan, naar af- en toekomst, naar dat en hoe en waarom "de aarde" en de aarde met al wat en wie er op is, er zijn. het antwoord is in de aarde geborgen, maar stijgt er torenhoog bovenuit. het heeft de gestalte van het wonder, dat zin, af- en toekomst "openbaart".
de natuur lijke plaats van den geest is het wonder. het wonder op UW woord van: dat doven horen, blinden zien, verlamden tasten, doden opstaan, armen rijk, kleinen groot, éénvoudigen VOL zijn. dit is: VOL uit en in Zijn VOLHEID, deel van en uit der aard geheel uit en in en met en door het GEHEEL. het GEHEEL, Dat in den hemel is, wordt door mensen, die op aarde zijn, van bóven af, in hun vlucht GEZIEN.
3.3. vliegen, als wonder op UW woord VOL geestlijk, dit is uit en in her innering van den GEEST GEEST lijk leven, doet ZIEN. VOL zien tijdens de vlucht, van bóven af.
hoog in de lucht, als in den hemel, vliegend, wordt de mens bevrijd van elke belemmering, ziet hij overzicht lijk, in vogelperspectief, en krijgt hij het GEHEEL te zien. àlles in alles, alles in àlles. het VISIOEN van de on verdeelde on verdeelbare éénheid van "aarde" en "HEMEL", "HEMEL" en "aarde. en uit dér aard den zin, de afkomst van de aarde uit haar AFKOMST, de toekomst van de aarde uit haar TOEKOMST. dit is: dàt en hoé en waarom elk deel oorspronkelijk BEGIN en uiteindelijk UITEINDE lijk, in het GEHEEL opgenomen, uit en in het GEHEEL levend, GEHEEL lijk geheel is.
vliegen resulteert in het ZIEN van het GEHEEL als ZIN, AF- en TOEKOMST van alle delen. uit dér aard is voor een mens vliegen op de wijze van zich van den platten grond afzetten, de vleugels uitslaan en in open lucht in de lucht hangen en bewegen, levens belangrijk. het maakt het den mens mogelijk het VISIOEN te schouwen en uit der aard op aarde zó als in den hemel, VOL te leven. geloofsgeheime lijk.
4. vliegen is het geheim van die op aarde in "den HEMEL" gelooft. geloof geeft aan een mens vleugels, maakt zijn woord tot een gevleugeld woord, een "woord van eeuwig leven". geloven verrijkt, vergroot, verméért het hiér en nù tijd lijk tot BEGIN en UITEINDE lijk tijd loos leven. dit is: het nù van den mens is, doordat het opgenomen is in het NU van GOD, nù-voor-altijd, VISIOEN lijk nu.
daar zijn geen woorden voor, wel beelden, tekens, "sporen". doordat de woorden der mensen enerzijds in den mond (het lichaam) worden gevormd, vertonen zij "aardse" trekken en zijn zij beperkt in het articuleren van het "HEMELSE", het VISIOEN. maar anderzijds, doordat zij uit den grond van het hart komend, tekens van intelligentie en van verbeelding zijnd, geest lijke trekken vertonen, zijn zij bekwaam tóch vonken van het "HEMELSE" uittezenden op de wijze van her innering door den Heiligen GEEST van "al wat Ik u heb gezegd". dit is: door het geloof van gedaante verànderd. gelijkenis in de dingen der schepping ver beelden geheime lijk wonder lijk, op UW woord, dit is: door den Heiligen GEEST in den mens her innerd, den SCHEPPER der schepping en maken het den mens mogelijk "in gelijkenissen-uit-gelijkenis te spreken". dichterlijk.
geloof tilt een mens op tot (de beelden ziende) dichterlijke én tot (de beelden dichtende) dichtende. zó ziende en zó sprekend komt de dichterlijke dichtende op aarde in de nabijheid van "den HEMEL", gaat "de HEMEL" voor hem open. met als gevolg van Dien: dat "aarde" en "HEMEL" voor hem "verschijnen" als GEHEEL, als het van-bóven-af, in zijn vlucht geziene VISIOEN van de on verdeelde éénheid van "HEMEL" en "aarde", Dat hij, dichtend, woord lijk "in gelijkenissen-uit-gelijkenis" articuleert.
de aarde (als gelijkenis) van-onder-uit én (als bron van "gelijkenissen") van-bóven-af, dit is de dingen der scheppING én den SCHEPPER ervan schouwend en sprekend, wordt de mens verzameld in zichzelf geheeld, wast hij uit en in Zijn VOLHEID VOL. kan hij, zó als de -in de legende ver beelde- door het kind jezus uit klei geboetseerde vogel, vliegen. wordt hij "een -niet verloren, niet voorbijgaand, van eeuwig leven zijnd VOL- levend wezen". een geheim van GODS GEHEIM. een geloofsgeheim.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
