|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1.1. Het hoeft geen mens te verwonderen dat mensen, die op aarde zijn, mens lijk, dit is op grond van hun horen, zien en tasten, voelen, denken en experimenteren "denkend", hun om geving als de enige reële wereld, werkelijkheid, beschouwen. bovendien zien zij de mens als het middelpunt, het centrum dat door de om geving als een eigendom waarover hij eigendunkig eigenwillig eigenmachtig kàn en màg beschikken, omgeven is.
de hele werkelijkheid is voor hen de werkelijkheid van "de aarde" en de aarde met al wat en wie er op is. een hoorbare, zichtbare, tastbare, voel-, denk-, ken- en op de wijze van beheers- en bewerkbare aankunbare materiële wereld. een te ontdekken, en op grond daarvan naar hun hand te zetten wereld, waarvan zij de eerste en enige meester zijn.
leven is heersen, en wel op de -uit ervaring geleerde- wijze van verdelen om te heersen. voor hen grondt ontdekken in uiteenwerpen van het geheel tot in de kleinste deeltjes; en bewerken betekent voor hen met die kleinste deeltjes doen wat zij willen, te experimenteren door ze uit hun oorspronkelijk verband te rukken en met succes opnieuw te verbinden. wat inhoudt dat zij den oorsprong in feite als achterhaald en on nuttig beschouwen en het door hen te vinden materiaal benuttigen om hun wereld te "vernieuwen", zelf, wat zij creatief noemen, eerstig "een andere wereld te scheppen".
een technische wereld, geen organische; een gemanipuleerde wereld, geen "vrije"; een uiterlijke, geen innerlijke; in feite een dode, geen levende. een wereld die zij nog niet gezien hebben (déja vu) en die uit der aard de afstotende "verveling" van het déja vu vervangt door de aantrekkelijke fascinatie van het nieuwe. een proces: waarvan zij wel ergens het begin vermoeden, maar waarvan zij helemaal niet weten waar het zal eindigen, als het überhaupt eindigen zal; dat los gemaakt is van zijn begin (wat begint te vervelen, wordt weggeworpen), en zijn einde (het idee dat er aan hun "scheppen" geen einde komt); dat de geschiedenis van gedaante verandert doordat zij, van haar oorspronkelijkheid vervreemd, van haar oorspronkelijkheid, haar gerichte dynamiek beroofd wordt en in feite frenetiek op zichzelf aan het tollen is. mensen maken de geschiedenis en het geschieden van de mensen erin naar eigen weten en eigen kunnen en richten ze, "in dienst van de mensen", naar het beeld dat zij zich van de werkelijkheid hebben gemaakt en in functie van den "droom" dien zij, eerstig en op basis van "Non serviam!", gaan dromen zijn. zij "luisteren" niet meer, maar zeggen voor en doen luisteren.
1.2. maar, en tóch, en zie: hoe hoor-, zicht- en tastbaar ook, dit beeld van de werkelijkheid is "ingebeeld" en het werken ernaar en ermee en eraan loopt verloren. het is -op een vreemde manier- geestelijk gehandicapt: staat bol van verstand, maar mist een ziel; schittert uiterlijk, maar is innerlijk dof; gelooft in on eindigheid, maar is blind voor zijn vergankelijkheid en staat uit der aard ten dode opgeschreven.
er is GOD, Die als VOL LIEFDE in den hemel is en, als eerste, de ("aarde" lijke) werkelijkheid uit en in een explosie van LIEFDE op de wijze van uit Zich werpende, in Zich bewarende en met haar meegaand in den vorm van geschiedenis geschiedend, verwerkelijkte. de "aarde" lijke werkelijkheid is een naar de wijze van de mensen op de wijze van de mensen deelgenoot lijk deel van de VOLLE werkelijkheid: het GEHEEL; het GEHEIM van de on verdeelde en on verdeelbare éénheid van "HEMEL" en "aarde".
GOD is het GEHEIM van GEEST. met als gevolg van DIEN: dat Zijn schepping ("de aarde" en de aarde met al wat er onder, op en boven is) op "mystieke" wijze niet alleen deel heeft, maar ook deel kan nemen aan den GEEST. hoe uiterlijk materie ook, de schepping is innerlijk "vervuld van de Heilige Geest"; de materie straalt naar de vier windstreken in de vier seizoenen op de wijze van door de met geest bezielde mensen te horen, te zien en te tasten, te voelen, te overdenken, te ver beelden, geest den Heiligen GEEST van GOD den VADER SCHEPPER, GOD den ZOON VERLOSSER en GOD den Heiligen GEEST VOLTOOIER uit. de "aarde" lijke werkelijkheid is, diep innerlijk, in het verborgene, in de stilte in stilte stil, dichterlijk; de mensen zijn, diep innerlijk, dichterlijk, en bóven dien, if they care and are lucky, tot dichten bekwaam. dit is: tot uit en in een geheime lijk wonder lijk, VISIOEN lijk "zien" geroepen én bekwaam tot het naar hun wijze op hun wijze articuleren van dit VISIOEN.
de VOLLE werkelijkheid "toont" zich aan de mensen op de wijze van VISIOEN. dit is: die vreemde "mengeling" van GEEST en "stof", én de voor óns bewondering waardige uitwisseling tussen beide. voor óns, want het VISIOEN is er voor óns, op aarde. is er zó: dat HET door ons gehoord, gezien en getast, gevoeld, overdacht, ver beeld en beleefd kan worden. uit dér aard, en alleen uit dér aard, zijn de mensen "de koning der schepping". zij staan -in het midden van het veld schouwend in de diepte van den hemel- in het midden van het VISIOEN, als een vis in het water, als een vogel in de lucht, als deel ER van ER in "gedoopt", ER van "doordrenkt", ER van "levend-voor-altijd" (ichthus eis aiei), ER door "gedragen" (een uit klei geboetseerde vogel, die vliegt).
het geheim van mensen is, of zij het "weten" of niet, of zij het "willen" of niet, het GEHEIM van het VISIOEN. want het VISIOEN is er lang vóór ze en zal er lang nà ze zijn. HET be en om vat ze binnen den tijd en de ruimte over den tijd en de ruimte heen; HET is, als "eerstig" en hiér en nù lijk en "laatstig", hun leven-voor-altijd, de de feitelijke "aarde" en aarde overschrijdende FEITE lijke natuurlijke plaats van hun bestaan.
2.1. GOD de VADER is als SCHEPPER eerstig; en zó is GOD de ZOON als VERLOSSER eerstig en GOD de Heilige GEEST als VOLTOOIER. méér dan "in tijd" LIEFDE lijk WEZEN lijk, GRONDig, OORSPRONG lijk. geloofsgeheim, waarin mensen, bóven alle mogelijkheden van aan hun bestaan inherent zijnde "vermogens" uit, alleen uit en in een "keuze" lijk wetend wetens en willend willens geloven op de wijze van er in "gedoopt", er van "doordrenkt", opgenomen worden.
GOD is het GEHEIM der dichterlijken. van die "van de Heilige Geest vervuld zijn", van die in wie "de Heilige GEEST her innert al wat Ik u -in het dichterlijk gedichte eerste en tweede BOEK- heb gezegd". dit is: in "beelden", in "gelijkenissen-uit-gelijkenis" waarin "HEMEL" en "aarde" op een bewondering waardige uitwisseling lijke wijze samenvloeien, -hangen, -lopen en -werken. die het gegeven is en er toe komen "wat er geschreven staat" in zijn VOLHEID te "lezen", worden via de beelden ("tekens") en "gelijkenissen" als het ware van de aarde opgeheven, ten hemel opgenomen en -niettegenstaande de weerbarstigheid van hun waarnemen, voelen, denken en fantaseren en de daaruit voortkomende strubbelingen tegen het VISIOEN- in het verborgene, op UW woord in het VISIOEN van GODS eerstigheid "onderricht", zó dat zij "ER naar luisteren", "ER in geloven", en "HET volgen". genade lijk gewoon. zomaar. als vis-voor-altijd; als uit klei geboetseerde vogel, die vliegt. zij blijven, wetend wetens en willend willens op hun natuur lijke plaats: hun tweedigheid.
2.2. mensen zijn door Die eerstig is geschapen. zij zijn het werk van een Kunstenaar, potten door de hand van den Pottenbakker met zin en zorg voor Zijn werk gevormd en gebakken, "uit klei geboetseerd en beADEMd". als "werk van Zijn handen" verwijzen zij op de wijze van tweedig naar de eerste hand. met alle gevolgen van Dien.
hun natuur lijke plaats is de tijd en de ruimte van de schepping, de werkelijkheid van de wetmatigheid van de aarde binnen het geheel van de wetmatigheid van het heelal. tweedig houdt in: gebondenheid aan de wet uit verbondenheid met de wet. mensen zijn omgeven en omringd door het leven van al dat leeft in tijd en ruimte. hun leven is, gebonden op de wijze van gehoorzaam aan de wet van het leven van al dat leeft, verbonden leven uit en door met al dat leeft.
het wezen van tweedigheid is gehoorzaamheid aan GODS eerstigheid: ter plaatse, "daar God u eens te willen koos", en op de wijze van "al dat gij doet is blomme zijn". de de mensen omgevende en omringende dingen geven uit hun aard eigen aardig eigenaardig aan de mensen het "beeld" van het ter plaatse en de wijze van der mensen; hùn wet matig leven be tekent dat van de mensen. be tekent schuld en on schuld, "wezen zo ik wezen moet"...op basis van vrijheid.
tweedigheid grondt in vrijheid, is, trouw aan die vrijheid, die vrijheid kiezen zó als zij is: vrij zijnd van vrij zijn voor, bevrijding. door bevrijding zijn de mensen tweedig, dit is "op ONS gelijkend", vrij. het geheim van de tweedigheid van de mensen is dit OORSPRONG lijk "op ONS gelijkend" vrij zijn: als vonk van de LIEFDE door de LIEFDE bevrijd, uit liefde "beproefd".
on liefde "toont" zich in on gehoorzaamheid. dit is: in wil tot eerstigheid. tot "niet dienen", maar autonoom heersen, niét gehoorzamen op de wijze van niét "naar Hem luisteren ", niét "in Mij geloven", niét "Mij volgen". een wijze van vrij zijn dat in wezen on vrij zijn is: een weigering van de tweedigheid; een weerbarstig- en weerspannigheid tegen de "beproeving".
3. GODS eerstigheid is, gewoon door het FEIT dat GOD eerstig IS, een door GOD aan de mensen voor de mensen aangeboden "beproeving" van hun tweedigheid. hun tweedigheid wordt door het feit zelf gewoon op de proef gesteld. de feiten (het FEIT en het feit) zelf zijn de "beproeving", stellen de vrijheid van de mensen op de proef op de wijze van bevestiging of verwerping.
GOD beproeft de mensen niet, maar is door het FEIT van Zijn eerstigheid een -geweldloze- "beproeving" van hun aan hun binnen de VOLHEID van de werkelijkheid opgenomen tweedigheid inherent horen, zien en tasten, voelen, denken over en verbeelden. deze "beproeving" maakt deel uit van de VOLLE werkelijkheid en draagt uit dér aard mede bij tot de schepping, verlossing en VOLtooiing der mensen. zij is vanwege GODS beminnelijke menslievendheid wezen lijk constructief op de wijze van dat zij het de mensen als uit klei geboetseerde vogels te vliegen mogelijk maakt.
vliegen is het resultaat van GODS eerstigheid erkennen en op GROND daarvan het bestaan uitbouwen door de tweedigheid op UW woord tot VOLheid te laten wassen. dit is: met GOD verbonden, op de hoogte van 10 meter bóven den platten grond, (mee)scheppen, (mee)verlossen en (mee)VOLtooien. door de "beproeving" te doorstaan worden mensen -als beADEMde klei- vanzelf, zonder zich geweld aan te doen, maar integendeel hun OORSPRONG lijk geboren en getogen worden beamend, bevrijd vrij "levende wezens". al eist het de inspanning om de beperktheid eigen aan de tweedigheid te overwinnen, en doet het uit der aard pijn.
de "beproeving" zonder "morren", zonder zelfbeklag doorstaan is de op aarde te betalen prijs voor den prijs in den hemel. het bevestigt het "goed" zijn van de schepping en uit der aard het "GOED" zijn van den SCHEPPER. het is het teken van het verlangen wetend wetens en willend willens op zijn natuur lijke plaats blijvend op aarde "Uw Naam te heiligen, Uw Rijk te helpen komen, Uw Wil te laten geschieden" zó als in den hemel. en zó denkend en zó doende bevestigt het het GRONDig "goed" zijn van de "beproeving" als een teken van de beminnelijke menslievendheid van GOD, Die in den hemel is, ten opzichte van de mensen, die op aarde zijn.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
