|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
de VOltooiing van johannes begon al in den beginne en had langzaam plaats mede door dat ongrijpbare onverklaarbare eens gaan kijken om te zien. zijn gaan kijken ging uiteindelijk open tot de VOLheid van wat hij had gehoord, gezien, met eigen ogen mocht aanschouwen en met de handen tasten. zijn mens wording was geslaagd, VOLbracht bij Gods genade. uit dér aard is johannes onder ons voor ons een uniek vóór voor- en toonbeeld
- van leven, van heri, hodie, et in saecula saeculorum
geschieden in de geschiedenis. een mens zó als de
Vader hem heeft gedacht, de Zoon hem als leerling
dien Hij beminde, heeft ingepalmd, en Hun Geest hem
heeft geheiligd door het hem toegezegde paas- en
pinksterWONDER.
- van dichten, van articuleren van wat er aan hem is over
gekomen, van uit en in verwondering om en bewondering
van dit WONDER niet kùnnen niét spreken.
fundamenteel wezen lijk, uit Schepping en Verbond, tussen het in
den beginne en het on eindige, op de wijze van god scheppend op de wijze van den mens. met HOOFDletters, mit GROSSEN Buchstaben, MAJESCULES. een gehoorzaamheid en luisterbereidheid van een àndere kwaliteit dan die van de literatuur, de wereld literatuur: méér, dit is meer naar God luisterend dan naar de mensen; naar de mensen luisterend uit en in zijn luisteren naar God; op de wijze van den mens gehoorzaam aan de wijze van God. uit dér aard trouw aan het hem gegeven woord bij Gods genade kùnnend mogen spreken op grond van zijn mógen kunnen spreken. dit is: spreken op ONS gelijkend; op het EERSTE woord; op het Woord en het WOORD. het is het uitgesproken VORM geven op ónze wijze aan Gods intens aandachtige aanwezigheid onder, in, met en voor ons. de VORM van de Blijde Boodschap, het evangelie. het woord als fundamenteel wezen lijk niet kùnnen niét VORM geven aan de TEKENS; niet kùnnen niét articuleren op onze wijze van de wijze van God onder, in, met en voor ons. het gebruik van het talent op de wijze van het talent: het talent van den mens op de wijze van den mens.
het op de wijze van den mens is de wonderlijkste, de meest verbijsterende, verbazende, boeiende ervaring van den mens. de heerlijkste eerlijkste openbaring van zijn zelf. causa nostrae laetitiae: de oorzaak van de grote vreugde van de blijde boodschap van een bevrijding tot vrijheid en vrede.
in wezen is dit: de mens bevrijd van zichzelf, van dit oer sterke oer oude verwoed bezig zijn met zichzelf. bevrijd los van zichzelf ervaart hij wonder lijk de ongehoorde heerlijkheid van het bestaan in een tot de gedaante van schitterend als de zon en wit als sneeuw verànderde wereld. de wijze van den mens schittert als de zon en is wit als sneeuw uit en in Schepping en Verbond. dit is de heiligheid waartoe hij van in den beginne uit en in het op ONS gelijkend niet alleen geroepen, maar ook geholpen wordt. zodra de mens naar god kijkt, verdwijnt voor dit schitterend licht op zijn bestaan dat droeve neerdrukkende neerkijken, die onzinnige krankzinnige bezorgdheid om en dat verwoed overspannen werken aan het eigen imago in de wereld: het afgodsbeeld dat de mens geneigd is te maken van zichzelf. uit en in die onbegrijpbare onverklaarbare "Ik moet kleiner worden opdat Hij groter zou kunnen worden."-ervaring en -uitspraak telt voor de bevrijde vrije mens alleen nog god en wordt zijn kijken een kijken naar de leliën op het veld, de vogels in de lucht, hoe...".
en het wonder is: dat dit kijken naar wat van den hemel is, den mens den juisten kijk op wat van de aarde en wat van hemzelf is, geeft. dat de wijze van den mens in al haar heerlijkheid van schitterend als de zon en wit als sneeuw te voorschijn komt uit en in de wijze van god. de grote laatste fundamenteel wezen lijke bevrijde vrijheid van den mens is: dat zijn krampachtige pijnlijke neerdrukkend droevigstemmende zelfondervraging gewoon natuur lijk bij Gods genade in simplicitate cordis gaat plaats maken voor dat vrij en vrolijk vredig gehoorzaam luisteren naar god. dit is:
- de zuivere overgave van zichzelf aan en in de handen
van god:
- het tot niets (of bijna) verschrompelen van zijn
zelfingenomenheid, zelfwaardering, zelfstandigheid,
zelfverwezenlijking, zelfvoldaanheid, eigenwaan en
eigenzinnigheid;
- uiteindelijk voorbij het zelfbeklag, de zelfexpressie,
de zelfvertedering, de zelfbevestiging (van de
literatuur) de los lippige dwaasheid van den lof;
- bij Gods genade de hoogste zuiverste laatste
verwezenlijking van de wijze van den mens op de
wijze van den mens.
het is de vreugde om den vrede uit en in de vrijheid uit bevrijding.
de grootste grootheid van den mens is Gods eerstigheid. wat de literatuur ook moge beweren en ons verwoed moge pogen optedringen. lees eens die grootste grootheid van den mens in gezelles "O wilde en onvervalschte pracht/ der blommen langs den watergracht!". het wonder is dat deze "vrome botanicus" meer over het reële op de wijze van den mens zegt dan de schrijver die zich over niets anders heeft uitgesproken dan zijn geobsedeerd intellectueel veranalyseerd observeren van den mens, den anderen. het ging gezelle meer om den mens dan om den tuin, al is de indruk mogelijk dat het hem meer om den tuin ging dan om den mens. want voor wie schreef hij dan zijn gedichten? toch voor de mensen? aan wie wilde hij iets zeggen? toch aan de mensen? en over wie wilde hij spreken? toch over de mensen? voor de mensen tot de mensen over de mensen?
zijn visie: Gods eerstigheid is het EERSTE. en uit dér aard is de wilde en onvervalschte pracht het tweede. de wijze van den mens is een wilde en onvervalste pracht:
" en wezen zoo ik wezen moet:
aanschouwende en bevroedende in
elk uiterste einde 't oorbegin,
den grond van alles; meer gezeid,
maar nog niet al: Gods eerstigheid!".
dit is fundamenteel wezen lijk de grootste grootheid van de wijze van den mens. de tuin is een TEKEN ervan. de "botanicus" is uit zijn aard een betekenaar van de TEKENS onder de mensen voor de mensen.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
