|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
taal en mens wording vallen in dit zelfde DWB van 9 november povertjes uit. met (nog altijd, nog altijd) wierook zwaaien van professor naar professor en een gauw gauw nog wat bijflansen over taal en geloof...om volledig te zijn. wat dit had kunnen worden (en waarnaar gij verlangend uitziet) ging roemloos onder in met stijl opgedirkte gemeenplaatsen. wat het had kunnen worden, werd het niet. dààr is een tijdschrift voor: de binnenvettertjes, die verwoed naar buiten uit schreeuwen. met toelagen van den staat. en men doet wat men kan. meer niet. een mens wording op de schaal van het verkleinings woord.
mens wording en woord blijven plakken aan den platten grond als zij niet OP getrokken worden uit en in het in den beginne van de Schepping en het Verbond; uit en in den ADEM van Gods Woord. "Zò werd (en wordt) de mens een levend wezen.". een dichterlijke dichtende. een op ONS gelijkende. mens wording én het dààr mee verbonden spreken hebben fundamenteel wezen lijk gewoon natuur lijk plaats uit en in dit van in den beginne op ONS gelijken.
het spreken van den mens is de weerspiegeling van zijn mens wording, zijn bij Gods genade langzaam op ONS gaan gelijken. beide zijn beide.
1) God werd mens om den mens vóór te gaan in zijn mens wording. om zijn mens wording OP te helderen en te be krachten in de richting van het op ONS gelijkend. er is geen reële mens wording mogelijk buiten een vrij en vrolijk antwoord op dit aanbod.
2) het WOORD sprak om den mens vóór te gaan in zijn spreken. "Luistert naar Hem.", "Komt maar eens kijken.". het WOORD trok het woord OP tot in het op ONS gelijkend: het verbijsterend, verbazend, boeiend wonder van het woord Gods in het Woord en het WOORD; het reële archetype van óns woord. dit SPREKEN in óns spreken is de ontzaglijke rijkdom, de WEELDE van ons spreken, weerspiegeling van de WEELDE van ons mens worden.
als ons spreken OP getrokken is door het SPREKEN van God, is het uit dér aard POEZIE: dichterlijk dichten; gedichte dichterlijkheid; THEOLOGIE (d.i. een woord over God doordat het gewoon natuur lijk te zelfder tijd een woord van God is, CON SPIRATIE, adem van ADEM).
dichten is het diepste van het ons door god aangeboden op de wijze van den mens. poëzie valt uit haar aard SAMEN met een hoogste mens wording: het mogelijke (want bij God is niets onmogelijk) onmogelijke. het woord van den dichtenden dichterlijken is -uit en in zijn gelijken op het Woord en het WOORD- openbaring van het mogelijke onmogelijke; van het WONDER bóven wonder van gods intens aandachtige aanwezigheid onder ons voor ons. dit openbarings karakter, dat zó als in de Schrift de bijdrage is van den GEEST, de ADEM waarmee ónze adem ademt, van het poëtisch woord is zijn reëel geheim. dit is: het woord op zijn plaats, zijn natuur lijke plaats.
jean cocteau zou nooit gezegd hebben: "Ware poëtische ontroering komt niet voort uit een triestig gegeven, maar uit het mirakel van een woord dat op zijn plaats staat." (door janssens in DWB nov. aangehaald). inderdaad: op zijn OORSPRONG lijke gewoon natuur lijke plaats. dit is: als maître après Dieu, schipper naast God, in stemmend met de intens aandachtige aanwezige grote STEM, con spirerend met den LEVENSADEM ons bestaan openbarend uit en in de eerste en laatste Zelfopenbaring van god.
ongelukkig genoeg gaat janssens verder met: "taal om haarszelfswil gecultiveerd, een gebaar van nutteloze schoonheid gefixeerd in woorden.". dit is het nog altijd bovendrijvend etheticisme, het "wrakhout" dat "literatuur" genoemd wordt. hoe zou het op het Woord en het WOORD gelijkend woord om zichzelfswil gecultiveerd, een gebaar van nutteloze schoonheid kunnen zijn? ons woord dat deelneemt aan het woord van god, wordt noch om zichzelf gecultiveerd, noch om een nutteloze schoonheid te zijn. het is een levend leven wekkend, een eeuwig LEVEN wekkend woord, gelijkend op "Gij alleen hebt woorden van eewig leven.".
de "dichters" zijn afgezakt naar den platten grond van een ijdel humanisme. zij zingen -heel origineel- het uit den treure afgeleuterd melodietje van ons tijdje. wat janssens over poëzie schrijft, kan door een kleine correctie OP getrokken worden tot de hoogte van de reële poëzie.
- dat cultiveren tot: den tuin bewarend bewerken;
- die schoonheid tot: al wat WAAR en GOED is, quae visu
placet, a joy for ever;
- dat "maximale" taalgebruiker tot: woord naar het Woord
en het WOORD;
- gesemantiseerd tot: woord dat een teken van het TEKEN is;
- taalverdichting, taalconcentraat, tot: woorden van eeuwig
leven;
- "korte drank" tot: de vreugde van en het enthouiasme
om de Blijde Boodschap;
- essentieel tot: "Naar wie zouden wij gaan?";
-dat mirakel van een woord dat op zijn plaats staat tot:
het wonder van het woord bij Gods genade op zijn
OORSPRONG lijke, natuur lijke plaats;
- nutteloze schoonheid tot: het wonder van gods intens
aandachtige aanwezigheid onder ons;
- de noodzaak van het overbodige tot: het verlangen naar
VOLtooiing.
de natuur lijke plaats van de poëzie is 10 meter bóven den platten grond, in het hart van het op onze wijze gedragen door de wijze van god.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
