|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
"Wie om haar vroeg opstaat,...zal haar
vinden zittend vóór de deur."(Wijsh. 6/12-16).
(een toepassing op den dichtenden en zijn poëzie)
1) de dichtende is een dichterlijke. een uit en in zijn "vroeg opstaan", zijn intens aandachtige aanwezigheid op aarde, bewogene uit en in een ongrijp-, onverklaarbare- en onuitlegbare stuwing van buiten af: een "aandringen" van het "als in de hemel". dichterlijk betekent: die tedere toegankelijkheid voor de TEKENS van "den hemel" hier en nu op aarde; de bekwaamheid tot HOREN, ZIEN en TASTEN.
2) in dat "zitten" is de kostbare passiviteit ingebouwd van die niet àlles van zichzelf verwacht, maar veel van de her innering van den GEEST. het is een houding van verwachting, van geduld, van overgave. het is de vrucht van een volledig doordrenkt zijn van het vertrouwen in: het her inneren van den GEEST, Zijn komst, Zijn op Zijn uur neer dalen, Zijn in spireren als Hij het wil; de méérwaarde van Zijn Woord, dat Zijn in spireren bij con spireren een kostbare verrijking van óns woord betekent.
die passiviteit is dus wezen lijk een actieve, een creatieve passiviteit: de in spiratie wordt actueel door de con spiratie van die voor de deur zit. dichten is meewerken, con spireren: de eigen wijze laten verrijken door de wijze van den GEEST; het eigen woord door her innering van den GEEST tot VISIOEN van een met vóór en nà vergroot hiér en nù laten VOltooien. dichten is met den Creator Spiritus meescheppen. de dichtende wordt -uiteinde lijk- door den GEEST tot scheppen "bewogen". hij kàn niet (meer) niét spreken. en zijn spreken is uit dér aard zó dat hij "er zich niet hoeft voor uittesloven".
bóven dien betekent dat "zitten" rust uit gerustheid. de dichtende is niet alleen. hij weet zich gedragen. dààr achter zit de "wijsheid" van een theologisch gefundeerde levensvisie, wereldbeschouwing. theo logisch in den zin van: overeind staande op den VASTEN GROND van Gods WOORD. hij heeft er "een SCHRIFTE" lijk bewijs voor, zwart op wit, van "woorden die blijven". een schriftelijk bewijs, dat van in den beginne naar hem doorgetrokken wordt in het ruisen van de beuken in het BOS van beuken. zij rust uit gerustheid is in feite die ongrijp-, onverklaar- en onuitlegbare zekerheid op GROND van de SCHRIFT; een zekerheid, die hij dan ook niet wenst "uitteleggen", en ook niet uitlegt. de dichtende zit op vasten grond. hij "zit" door al wat goed is en groter dan hij: gods eerstigheid, de eerstigheid van de eerste Schepping en het eerste Verbond, "gedragen".
3) dat "vóór de deur" suggereert het thuis blijven en thuis zijn voor.
hoe groot ook de aarde, zij is tóch niet groter dan "vóór de deur". de GEEST openbaart de aarde zó als Hij het wil. wie denkt dat hij zélf de aarde moet "veroveren", vergist zich. de hele aarde gaat open voor die "thuis is". voor "die vroeg opstaat": intens aandachtig aanwezig is "daar God hem eens te willen koos". dit is het geheim van "vóór de deur": de openheid op heel de aarde, die voor die vóór de deur zit verschijnt. dit is: die let op de vogels in de lucht; die kijkt naar de leliën op het veld, den vijgeboom, het kind, de overspelige vrouw, zacheüs in zijn boom. de verre hele aarde gaat open langs de wegen, aan den waterkant, in het dorp..."als het nog donker is"; zó "vroeg in de morgen". want die naar den Verrezenen toe gingen "om Hem te balsemen", lagen er wakker van.
Hem balsemen: Hem levend bewaren voor de anderen, die van het hodie en het in saecula saeculorum. "vóór de deur zitten" is thuis zijn voor allen die passeren. zó als abraham thuis was voor de drie jonge mensen (die engelen bleken te zijn en hem de belofte van een zoon overhandigden).
de dichtende dichterlijke is thuis voor allen die niét voorbij gaan. voor allen die verlangen onderweg de rust te vinden uit gerustheid: uit en in de wijsheid van het Woord van God, de her innering van den GEEST. want dichten is de her innering van den Verrezenen door den GEEST "balsemen": in geuren en kleuren voor die, onderweg, aankomen en op de uitnodiging in de tent de hitte van den dag uit te schakelen en "verfrist" en "verzadigd" te worden ingaan, bewaren. opdat zij zouden kunnen vérder gaan.
de rust is geen quietisme. het zitten vóór de deur is de creatieve dynamiek van een scherpluisterend oor, een rondgaanden blik, een gevoelig tastende hand, die uitmonden in "de vinger op de grond": het in geuren en kleuren tweede hands scheppen van de eerste handsschepping. het "balsemen" van het WOORD dat onder ons voor ons woont. het is geen inslapen, geen een dutje doen. het is een wakker liggen voor het VISIOEN van den "eersten morgen", den "vroegen morgen". zonder zich hoeven aftesloven.
de Schrift kent het zich afsloven niet, niet het zich uitsloven. de geest is gekenmerkt door een verbijsterende verbazende boeiende wonder lijke gemakkelijkheid, zó als het suizen van het briesje. de dichtende dichterlijke heeft deel aan die gemakkelijkheid en neemt er vrij en vrolijk deel aan. hij laat het bewerken van het land in het zweet huns aanschijns aan die denken dat zij het allemaal zelf moeten doen en er mee uitpakken dat zij hun woord 10, 20, 30 keer herschreven. israël werd geleid door een wolk overdag en 's nachts door een zuil van vuur. en zó konden zij "dag en nacht" op weg blijven. uit en in het geheim van de volgzaamheid.
die aan de deur zat, was thuis om de drie jonge mannen te ontvangen.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
