|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
het feit is een "halve waarheid"; het beeld is de VORM van de volle waarheid: de articulatie van een verrijkt, vergroot, "verdubbeld" feit.
het beeld past precies in ónze wijze, die wezen lijk een door her innering van den GEEST verrijkte wijze is. ons spreken heeft eigen lijk plaats uit en in onze verrijkte wijze: "de aarde" in ons be ademd door den ADEM van god, den levensgeest die tot een reëel "levend wezen" maakt, met "den hemel" verrijkt.
onze wijze is de natuur lijke plaats van het beeld. het beeld is ons gewoon natuur lijk eigen. de echte "geestigheid", de echte "intelligentie" van den mens is zijn bekwaamheid tot ver beelden. de echte intellectueel is de beeldende mens: de voor het beeld teder toegankelijke, en uit dér aard tot "lezen" en "articuleren" van het beeld bekwame. dit is: de echte kunstenaar.
de waarheid is de Werkelijkheid van de Schepping en het Verbond. zij is er van in den beginne, en als dusdanig is zij er hiér en nù. hiér en nù is een van in den beginne op ónze wijze. de Schepper verrijkt Zijn schepsel met Zijn wijze. de mens is een van in den beginne op ONS gelijkende; een op ONS gelijkende van in den beginne.
de grond van het beeld is gods wijze. zij is -naar ónze wijze- ondoorgrondelijk, "verborgen", maar verschijnt aan óns -naar ónze wijze- in het beeld. de waarheid van god is voor ons een -naar ónze door het her inneren van den GEEST verrijkte wijze- "verhuld onthulde" waarheid; een in het beeld schuil gaande verschijnende waarheid. het beeld is: waar het "verborgene" schuil gaand te voorschijn komt; het "als in een spiegel". en tóch.
het beeld is rijker dan het feit. het feit staat (slechts) schijnbaar het dichtst bij ons: is grijpbaar, verklaarbaar, uitlegbaar, gebruikbaar en onmiddellijk. en uit der aard aantrekkelijk, tot "betoverend" toe. in feite is het een "halve waarheid" en staat het ver van ons. veel verder van ons dan het beeld. het beeld "betovert" niet. het "verschijnt": verbijstert, verbaast, boeit, "dwingt" tot nader komen bij het "brandend braambos", tot verwondering over en bewondering voor het wonder van de Schepping en het Verbond. het beeld is wat wij -door her innering van den GEEST- te ZIEN krijgen van het wonder van de Schepping en het Verbond. het beeld is wat er -naar ónze wijze- in den spiegel te voorschijn komt van de wijze van god. het is een TEKEN van god: de regenboog aan den hemel, die de grijze tekening van "de aarde" kleurt met alle kleuren van "den hemel". uit dér aard is het geen wonder dat de SCHRIFT in hart en nieren beeld spraak is: het Woord van god is uit Zijn aard volkomen trouw aan de wijze van god tegenover den mens; als Schepper van den mens spreekt god in beelden. dit is: de wijze van den mens volkomen respecterend en waarderend.
gods logica -de rechtvaardigheid, de rechtgeaardheid van Zijn liefde- is: dat Hij Zijn mens schiep bekwaam tot "lezen" én "articuleren" van het beeld. d.w.z. met het merkwaardig vermogen van zijn verbeelding: het vermogen de beelden te ZIEN en (in alle vormen van "kunst") UITTESPREKEN.
de verbeelding van den mens is het vermogen te ZIEN: te horen, te zien, en te tasten bij gods genade. dit is: met het her inneren van den GEEST verrijkt. al de "klassieke" vermogens van den mens worden verrijkt, OPgetild door zijn verbeelding. dit is: bekwaam gemaakt voor het beeld; tot het "lezen" van het beeld in de werkelijkheid, in de Waarheid van de Schepping en het Verbond.. en uit dér aard -if he's lucky- tot het articuleren ervan.
de verbeelding is het merkwaardig creatief vermogen van den dichtenden dichterlijken. dichten is ver beelden. het beeld is de natuur lijke plaats van den dichtenden dichterlijken. hij is erin thuis "als een vis in het water".
1) hij "leest" het vlot. hij vindt het in "duizend dingen". hij is er niet (langer) over verwonderd, want via de verbijstering en de verbazing is hij langzaam aangekomen in het stadium van het geboeid zijn op wonder lijke wijze: he has been lucky. in dit stadium liggen de beelden "aan zijn voet", "in handbereik", "voor het grijpen". zijn status is gewoon natuur lijk gemakkelijkheid. "de aarde" gaat zó voor hem open als het wonder van de Schepping en het Verbond; den hem om te bewerken en bewaren gegeven tuin. de dingen zijn hem -uit en in een zélfde afkomst van in den beginne- vertrouwd en zij -van hun kant- "verbergen", sluiten zich niet. zij liggen daar vóór hem voor hem "met de vleugels open" als TEKEN van de wondere daden van gods hand onder ons voor ons. om te worden "gelezen" door ons. (want de werklieden op den korenakker moesten opzettelijk er voor zorgen dat er veel aren lagen opdat RUT rijk geladen naar huis zou kunnen gaan). er zijn waarachtig TEKENS in overvloed voor die kan "lezen", voor die hartsgrondig verlangt ze te "lezen". dit is: voor den dichtenden dichterlijken van in den beginne.
de dichtende is een dichterlijke van in den beginne. en in den beginne was het WOORD.
2) zó is hij thuis in het woord. want de dingen spreken. het woord komt met de dingen mee. het was er al met de dingen IN de dingen. toen de mens de dingen begon "opterapen", te "lezen", begon hij te zélfder tijd het woord dat zij spreken opterapen, te "lezen". hij liet de dingen zichzelf zijn, bevrijdde ze tot eigen identiteit. dit is: tot TEKENS door ze een naam te geven.
thuis zijn in de taal is thuis zijn in het namen geven, in het de dingen "aan het woord laten", "ter sprake brengen", te laten
"schrijven, herschrijven en schrijven nog
den heiligen name van God.".
dichten is met de dingen samenwerken: de Schepping en het Verbond articuleren op de wijze van het woord. en dààr in is de dichtende dichterlijke thuis "als een vis in het water". door zijn verbeelding. met het "zwemvlies" van zijn verbeeelding zwemt hij in het water van de taal, zijn moeder taal. de taal van moeder op moeder op aarde, tot hebban olla voghala nestas hagunnan toe.
hiér en nù. oer vlaams. ute minlijcken merkene. van in den beginne. zijn taal is een woord van in den beginne, reikend tot het WOORD van GOD. een woord op ONS gelijkend. een met de her innering van den GEEST rijkelijk gekleurd woord...als het veelkleurig kleed van jozef, hem ten teken van zijn liefde door zijn vader geschonken. (en wat hebben zijn "broeders" ermee gedaan?).
het veelkleuig kleed is het door den regenboog gekleurd kleed van de Schepping.
- er zijn TEKENS genoeg, en uit der aard woorden genoeg. TEKENS om "opgeraapt" te worden, en woorden om het "opgeraapte" tot brood te articuleren. een zee van TEKENS en woorden, waarin de dichtende dichterlijke zich thuis voelt, zich op zijn natuur lijke plaats weet "als een vis in het water". een "vis voor altijd".
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
