|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
het beeld als her innering (een "kleine correctie")
1) de beelden liggen kwistig vóór onze voeten uitgestrooid. zij zijn -in de dingen- met de dingen geschapen. de dingen -als stof- worden ons gegeven om te leven naar het lichaam; het hun ingeschapen beeld wordt ons gegeven om te leven "naar den geest". wij bestaan in de aanwezigheid van de dingen én de beelden in ze. wij leven "in den morgen": uit en in de "opklaring", de ons gegeven mogelijkheid "een beeld te krijgen" van den zin van ons bestaan, van ons met vóór en nà verrijkt en tot verlangen uitnodigend hiér en nù.
2) er is bij filosofen het verlangen ontstaan zichzelf te kennen, een blik te kunnen werpen en een kijk te kunnen krijgen op de eigen innerlijkheid.
voor plotinus lijkt de methode (de weg) daartoe de reminiscentie: het zich herinneren van "vroeger", het overwinnen van het "vergeten" van "vroeger". vergeten is "de vleugels verliezen"; zich herinneren is de op vlucht, de ascentie. het werk van den filosoof is "op te stijgen". met tweemaal het gevaar van "zelfgenoegzaamheid" op de wijze van:
- het herinneren is een doe-het-zelf, een zélf verwezenlijking, een op vliegen "met wassen vleugels", zelfgemaakte.
- in het op stijgen zit een zich verheffen bóven én een van boven neerzien op "de aarde", de dingen van het lichaam.
3) de aanwezigheid van het beeld onder ons stuwt ons naar "een kleine correctie" én van de zelfgenoegzaamheid zowel tegenover wat bóven als wat beneden is. de goede vleugels zijn geen eigengemaakte, "wassen" vleugels, maar van in den beginne aangeboren, gewoon natuur lijke vleugels: het verlangen naar verlengen uit en in de memoria praesentium "ex humilitate".
- de blik op het vóór en nà wordt mogelijk door, is een bekwaamheid tot uit en in het her inneren van den GEEST (god onder ons voor ons). dit her inneren behoort tot gods eerstigheid in de Schepping en het Verbond, Zijn van in den beginne intens aandachtig onder ons aanwezig zijn.
god zelf maakt het den mens mogelijk de Waarheid van Zijn Werkelijkheid te her- en erkennen. die genade maakt den mens vrij van alle zelfgenoegzaamheid op weg onderweg, bij zijn op stijgen. op stijgen is eigenlijk door god op getrokken worden. god zoeken is eigenlijk zich door god laten vinden: zich niet "verbergen", maar met Hem in den middag in den schaduw van de bomen wandelen.
god maakt zich onder ons hoor-, zicht- en tastbaar door Zijn WOORD. dit is: door de articulatie van Zijn BEELD (het sacrament van god jezus van nazareth) in het Nieuwe Verbond en de articulatie van de TEKENS (als water uit de rots en manna in den morgen, de wolk en de vuurzuil, het brandend braambos, de engelen van abraham en tobit enz) in het Oude Verbond. god ver beeldt Zich onder ons voor ons. het beeld is de aan ónze wijze aangepaste wijze waarop god aan ons verschijnt: Zijn epifanie op aarde.
het beeld is de her innering door den GEEST in ons van het vóór en nà. het is niet een zich herinneren van "vroeger", maar een her innerd worden aan "vroeger", aan het "In den beginne schiep God hemel en aarde", en aan het "Heer Jezus, kom!", het echt VOOR en NA. bij Gods genade! de mens ontdekt het beeld if he cares and is lucky, "in simplicitate cordis, ex humilitate". en daarmee wordt alle zelfgenoegzaamheid (superbia) uitgesloten, overwonnen.
- en juist doordat de dingen van "de aarde" door god van binnen met een TEKEN Dat naar Hem verwijst, met een beeld, verrijkt worden, laat de dichterlijke mens alle zelfgenoegzaamheid tegenover de dingen ("de schemel zijner aarde") varen en wordt hij ding vriendelijk. hij kijkt -ook in zijn "hemelvaart", zijn ascentie-, niet op de dingen neer, maar gaat aan hun zijde staan, wandelt op zijn beurt met ze, respecteert en waardeert ze. hij blijft met beide voeten "op den grond". en als hij, een dichtende zijnde, dicht, schrijft hij "met de vinger op de grond". hij articuleert het beeld in de dingen, d.w.z.: hij laat op zijn wijze de wijze van god onder ons verschijnen in samenwerking met de dingen. de dingen dankbaar "genegen" i.p.v. zelfgenoegzaam "op een afstand".
dat de GEEST het beeld in hem her innert, stuwt hem uit en in een vrij en vrolijke gehoorzaamheid aan de Schepping en het Verbond naar "geven". en dit betekent: dat hij een authentieke dichterlijke is bij Gods genade; bij Gods genade een authentieke dichtende. uit en in de humilitas van het in simplicitate cordis.
poëzie is her innering uit en in de VOLHEID waaruit wij "de ene genade" en "de andere" ontvangen. zij is het "niet vergeten" als antwoord op "Doe dit om Mij niet te vergeten".
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
