|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
voor die gelooft, springt het licht plots op groen. zó bv. waar verhoeven in zijn filosofische bevraging van de relatie tussen den inval en het oeuvre blijft steken, heldert die bevraging voor den gelovenden op uit en in een ŕndere benadering: het beluisteren ervan. dit beluisteren laat én inval én oeuvre ŕnders verschijnen, en uit dér aard is ook het antwoord ŕnders. het geloof verŕndert de werkelijkheid in de wereld door het laten oplichten van de werkelijkheid die niét van de wereld is.
1) de inval krijgt een afkomst, en nog wel een goddelijke. hij is wezen lijk her innering van den GEEST. her innering: van de Waarheid van de Werkelijkheid van de Schepping en het Verbond; van de waarheid van de wonder lijke verrijking van de wereld. de inval is her innering van den rijkdom van "de aarde", die alle zinnen te boven gaat.
de inval is her innering van het teken waardoor god op Zijn wijze naar ónze wijze in onze wijze binnenvalt en ons bestaan verrijkt tot het op ONS gelijkend. Die ons schiep en met ons een verbond sloot, beTEKENt Zich aan ons, verBEELDt Zich en -volkomen in de lijn van Zijn "logica"- geeft ons een vermogen om het TEKEN, de BEELDEN te zien: onze ver beelding. zij is een "gave van den GEEST", de bekwaamheid uit en in her innering de tekens te zien, den inval te registreren. de natuur lijke plaats van den inval is onze verbeelding.
de inval is de heldere verschijning van een teken, een "beeld": de wonder lijke verrijking van wat wij hebben gehoord, met eigen ogen aanschouwd en met de handen getast.
2) het oeuvre is navenant. dichten is articulatie van het "beeld". in feite is het spreken in den Naam van god: her innering van den GEEST op onze wijze voor ons ver beelden. ver woorden. dit is: het WOORD ver woorden.
het oeuvre is onlosmakelijk verbonden met den "inval". de GEEST heeft niet alleen een hand in den inval, maar ook in het oeuvre. ons spreken is wezen lijk OORSPRONG lijk een mede werken, articuleren in de lijn op de lijn van den inval. óók het woord "valt in". óók in de ver woording, het articuleren, is de GEEST aan het werk. (dit is uit en in geloven de kleine correctie op de filosofische formulering: "In zekere zin is het werk dus evenzeer een gegeven als de inval, waaruit het heet voort te komen; het groeit terwijl het wordt gemaakt, en juist onze inspanning werkt onze passiviteit in de hand."[verhoeven]).
de natuur lijke plaats van inval en oeuvre is het wonder. wie het wonder neer haalt, vernedert den inval tot fantasie en het oeuvre tot een constructie van het verstand of een sentimenteel als een blinde naar het ei slaan. de eigen aard van den dichtenden dichterlijken is zijn gehoorzaamheid aan den GEEST: aan den eigen aard van den inval én van het oeuvre. en dit betekent trouw aan zijn eigen aard van dichtenden dichterlijken: mede werken aan den GEEST; mede werken met den inval én met het oeuvre. dit is: het wonder op aarde laten geschieden; het WOORD in ons woord aan het woord leten.
de dichtende dichterlijke is intens aandachtig creatief aanwezig op aarde. op ONS gelijkend. wat hem "treft", is hem niet vreemd. in tegendeel: het is hem van in den beginne eigen. het ligt op de lijn in de lijn van de Schepping en het Verbond. hem vreemd is wat hem van de Schepping en het Verbond, dit is: van zijn OORSPRONG -en uit der aard oorspronkelijkheid- vervreemdt. in het teken treft hem zijn OORSPRONG, herinnert hij zich de Schepping en het Verbond. Zij "treffen" hem uit en in het weervinden van den OORSPRONG. en dit is juist het werk van den GEEST: den mens "treffen", "raken", "be en ont roeren" door het her inneren van den OORSPRONG; den mens op zijn natuur lijke plaats brengen: in de wereld niet ervan; op aarde al "in den hemel".
wat hem "treft" is alleen vreemd voor die van zijn OORSPRONG vervreemd is. hem "treft" het wonder en hij is er niet verwonderd over. zijn eigen aard ligt in de lijn op de lijn van geloof, hoop en liefde, dit is: van de gedaante verŕndering, van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. zijn geloof, hoop en liefde maken alles nieuw, zó als de GEEST het in hem her innert. de on losmakelijke EENHEID van den inval en het oeuvre.
het oeuvre van den dichtenden dichterlijken is geen systeem. het is een verschijning, een visioen. het gewoon natuur lijke visioen van de Schepping en het Verbond, de verschijning ervan hiér en nů in de lijn op de lijn van het VOOR en NA. het is een historisch moment dat, verrijkt als het is met her innering, de kracht van de KIEM, de geschiedenis ver overstijgt na VOOR en NA toe. het is gegroeid als een boom, van binnen uit.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
