|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
de mens is een te drinken kelk. op "dit uur", dat, ingeschapen, het uur van den Vader is en wezen lijk van in den beginne ónze wijze. het moet plaats hebben; het gaat, inherent aan onze wijze, aan ons niet voorbij. en even inherent aan onze wijze is: dat de geest gewillig is, maar het vlees zwak. dit houdt in: inherent aan onze wijze is de bekoring van het verzet tegen, de weigering van het uur van den kelk. en dàt betekent de weigering van ónze wijze: van de Schepping en het Verbond; van de eerstigheid van den Vader.
de inval van jezus van nazareth ("Niet Mijn wil geschiede, maar de Uwe.") is naar onze wijze het antwoord van ónze wijze op onze wijze: "Niet mijn wil geschiede, maar de Uwe.". dit is: de vrij en vrolijke in stemming met het uur van den kelk, waaruit den zin van lijden en dood (mortem autem crucis) op licht. Hij heeft lijden en dood niet weggenomen, maar wel de weigering ervan, het "morren" ertegen: de zonde. aan óns gelijk geworden, is Hij het concrete beeld van ons op ONS gelijken, het TEKEN van onze door en met gods wijze verrijkte wijze: de vrij en vrolijke in stemming met en uit der aard de zingeving aan onze wijze. dit is de waakzaamheid, de wakkere intens aandachtige aanwezigheid in de wereld; de luisterbereidheid naar en de gehoorzaamheid aan den GEEST, waardoor de zwakheid van het vlees overwonnen wordt.
de inval van het WOORD is de VASTE GROND van óns oeuvre. HIJ VOLbrengt het. HIJ IS hét VOLbrengen: de VOLtooiing van den mens; van het oeuvre uit en in den inval. de overgave aan onze wijze (met de handen der zondaars, van die verraadt) met de verrijzenis naar gods wijze in het vooruitzicht. het vooruit zicht is het licht op onze wijze door het her inneren van den GEEST. mens worden wordt: vooruit zien uit en in het in den beginne: het ZIEN van de uiteinde lijke VOLTOOIING; van het "het is volbracht.", dat met de blijvende on doodbare verheerlijking bekroond wordt.
uit en in het WOORD (den inval) wordt ons woord (ons oeuvre) deelname aan de verrijzenis, aan de heerlijkheid van het vooruitzicht, aan het VISIOEN. het is de articulatie van onze toekomst, en uit der aard ressorteert het onder "woorden van eeuwig leven". zijn criterium bij uitstek is het te voorschijn komen van het vooruitzicht uit en in het wonder lijke licht van het geloof. het wonder van hoe ons vleselijk woord schittert van (her innering door) den GEEST. en dit wonder is, heri, hodie, nog niet uit de wereld, want in saecula saeculorum.
de kleine correctie door het geloof in de Waarheid van de Werkelijkheid van de Schepping en het Verbond aan "de dingen" aangebracht, veràndert de "dagelijksheid" in een wonder, het te lezen woord in WOORD, "de groten" in profeten, hun "wereld" in het Rijk Gods, hun "tijdeloosheid" in eeuwig leven, "de kleinen" in instemmende luisterende gehoorzamen: de van slaaf tot zoon bevrijden, de on vervreemdbaren. (zie: ida gerhardt: Onvervreemdbaar / Het Sterrenschip).
het geloof herstelt de communicatie 10 meter bóven den platten grond. het lezen van het woord wordt door het WOORD aangeraakt én geraakt worden. dit is: door het LICHT der mensen. het wordt alleen zijn met het WOORD, den ALLENEN, Die alleen woorden van ééuwig leven heeft. en deze communicatie veràndert de dagelijksheid van onze wijze in het schitterend als de zon en wit als sneeuw van onze door gods (de tijdeloze GROTE) wijze verrijkte wijze. alleen wat god ons geeft is onvervreemdbaar. de groten bestaan niet voort uit zichzelf, maar uit en in het her inneren van den GEEST, het criterium van het te voorschijn komen van het vooruit zicht in hun woord.
"lezen" is én selecteren, én ZIEN van den rijkdom dien de GEEST onder ons ten toon spreidt via het met her innering verrijkt woord van de (reëel) "groten", die -vreemd genoeg- zichzelf onder de kleinen rekenen.
wat moeten wij met een "stelling" als het volgende: "Het is voor een gelovige zo gemakkelijk (en verleidelijk) naar een transcendente oplossing voor de zin van leven en dood te grijpen of te verwijzen, als hij niet direct geconfronteerd wordt met de naakte realiteit van de feitelijke ervaring." (r. van de perre: "Die lezen mogen eenzaam wezen")?
- als of alleen een gelovige "niet direct geconfronteerd wordt met...";
- als of "naar een transcendente oplossing voor de zin van leven en dood grijpen of verwijzen" een vlucht uit de realiteit zou betekenen;
- als of geloven "zo gemakkelijk" zou zijn, of god het den in Hem gelovenden zo gemakkelijk zou maken dat hij in de verleiding van een soort hocus pocus zou komen;
- als of god den gelovenden "de directe confrontatie met de naakte realiteit (wat dat ook mogen betekenen) van de feitelijke ervaring" zou besparen;
- als of de gelovige niet -zó als jakob met den jabbok- met den zin van leven en dood te worstelen heeft, en feitelijk niet als een mankende, hinkende uit dit gevecht met den engel te voorschijn komt;
- als of "verwijzen naar de transcendente oplossing" in deze wereld van ons hiér en nù (en de stelling schijnt dat te bevestigen) in feite voor den gelovenden een hopeloze zaak is en hij -op den koop toe- er van verdacht wordt het zo gemakkelijk optenemen en zich gewoon zo maar te verleiden om...
- als of de GEEST zelf hem niet "gemeen" den fatalen slag onder den buikriem geeft door de directe confrontatie met het lijden en den dood, het uur van den kelk, hoe dan ook gewoon omdat hij een mens is als elke mens;
- als of door den GEEST ook maar aan één mens, den mens, in "casu de dichter die de dood als 'een vreemde schaduw' in zijn levensnabijheid weet", het juiste, reële perspectief van de transcendente oplossing voor den zin ervan zou geweigerd worden. alsof de naakte realiteit van de feitelijke ervaring noodzakelijk de transcendente oplossing tot on zin zou maken, tot "zo gemakkelijk (en verleidelijk).
de stelling toont wat er hiér en nù rondgestrooid wordt en hoe licht zinnig er over den gelovigen wordt gepraat, eventueel geroddeld. den gelovenden mens herkent men aan zijn "hinken". dat hij "hinkt" is het teken van zijn gevecht met den engel, een gevecht op leven en dood. een gevecht óók waarin hij bijgestaan wordt door Die den dood door Zijn verrijzenis ten LEVEN overwon. die het gevecht met den engel aangaat, maakt het zich niet gemakkelijk, en daar is niets verleidelijks aan. in tegendeel.
de her innering van den GEEST is déze "stelling": het naakte feit van den dood is niét de negatie van het transcendente, maar uit en in de verrijking van "den dood" van jezus Christus tot eeuwig leven door Zijn verrijzenis, de bevestiging ervan. het "het had kunnen zijn" van den dichter in zijn "boven de tijd" wordt door de Waarheid van de Werkelijkheid van de Schepping en het Verbond -in het WOORD naar ónze wijze op ónze wijze onder ons wonend- :het IS. gij hoeft het alleen in simplicitate cordis te vragen aan het WOORD. die het alleen alleen aan zichzelf vraagt, is verloren. en van ik naar wij overgaand sleurt hij ons mee naar de "ontnuchtering" (zoals men dat noemt).
wat de "ontnuchterende ervaring" nog te maken heeft met "ons mee verder zoeken naar den zin van het mysterie dat ons allen raakt en bezighoudt", is voor mij ook een mysterie. het "ontnuchterende" van de ervaring van den dood van jezus werd voor johannes, den leerling die jezus beminde,: "Het is de Heer!"; werd voor de leerlingen van emmaüs de "dronken" ervaring van den levenden Heer, zó "dat hun hart in hen brandde toen Hij onderweg tot hen sprak en hun de Schriften verklaarde".
de "oplossing" voor den zin van leven en dood wordt in ons her innerd als wij (met brandend hart) luisteren naar wat Hij onderweg tot ons spreekt en ons uit de Schriften verklaart. als Hij ons vindt, hebben wij meteen den zin van het mysterie gevonden. al is zich door Hem laten vinden allesbehalve gemakkelijk en is er niets verleidelijks aan. de gelovige (en ik veronderstelt dat wie dat woord gebruikt een gelovige van vlees en bloed bedoelt en geen "spook", geen "schim") hinkt: zijn woord hinkt het WOORD achterna. dit is: hij zwijgt, en laat als hij "verwijst naar de transcendente oplossing van de zin van leven en dood" zo goed en kwaad als het gaat het WOORD aan het woord. met alle respect voor den mens, in casu den dichter, geconfronteerd met "de naakte realiteit van de feitelijke ervaring", opteert de gelovende voor het WOORD van god:
"Ik ben de verrijzenis en het leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al
is hij gestorven; en wie in Mij gelooft,
zal niet sterven in eeuwigheid."(Joh. 11/25-26).
het is on waar dit als "gemakkelijk (en verleidelijk)" te doen doorgaan. en het is unfair dit den gelovenden als "zo gemakelijk (en verleidelijk)" aan te wrijven.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
