Aantekeningen van Ernest Bornauw
"uit God geboren", met UITZICHT op in GOD terugtekeren


begin boeken levensverloop contacteren

DAGboek 27/9/1987 - 13/9/1988

<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>

1/2

                        (van den wit geworden oud leraar aan

                        den gebaarden wijs wordenden oud leerling)

            een kleine correctie op "Inleiding" (p. couttenier: "En stoort de stilte niet"). zijn "stelling":

 

            1.a. Gezelle ziet zijn dichten als een eigen taak, een opdracht, een haast profetische zending. Vandaar een richting, een intentie, een bedoeling. Vandaar dat zijn gedichten iets "moeten" zeggen. Dat misleidt de lezer: beperkt hem binnen de grenzen van die bedoeling.

            1.b. poëzie heeft een eigen productiviteit, breekt (die) grenzen open, is nooit af. Haar werking is onvoorspelbaar. Zij is verscheidenheid, (ver)toont verborgen, onderhuidse spanningen. In casu gezelle: een verborgen opbouwritme van (grosso modo) onrust, verlangen naar afstand, bevestiging, naar storing, verlies.

            de dichter wordt hier, aan de hand van eigen gedichten, geconfronteerd met (de) poëzie: "Poëzie valt echter niet samen met de intentie van de dichter: Gezelle moet dat geweten hebben, want 'Men doet niet al wat men wilt met de woorden!'".

            "De woorden gaan hun eigen weg, soms in weerwil van wat de dichter ermee 'bedoeld' heeft.". poëzie blijkt het te halen op den dichter, het verder te brengen dan hij, in elk geval haar eigen weg te gaan.

 

            2. en dit is, naar mijn ervaren, juist.

            2.a. de vraag -die p. couttenier niet stelt- is: wat is dan die poëzie; wat zijn die woorden? als poëzie den mens overstijgt, wat zij blijkbaar doet, moet zij, hoewel in den door den mens verschijnend, nog ergens ànders "gelocaliseerd" worden. zij is geen "spook"; de woorden zijn geen "schimmen".

            poëzie verschijnt in woorden op de wijze van den mens, en toch is zij "onderhuids" verscheiden, verborgen, onvoorspelbaar door eigen productiviteit en doorbreekt zij zó doende de grenzen van den mens. is zij geen "spook", zij is nog minder een "tovenaar", een "geest", een ondergronds vreemd in het on- of onderbewuste van den mens zijn gangen gaand "wezen", als een mol (de gedichten dan een molshoop zijnde).

            2.b. poëzie is in de wijze van den mens een àndere wijze, die naar den OORSPRONG van den mens verwijst: door den ADEM van god levende "aarde". poëzie heeft te maken met den GEEST van den Schepper der Schepping, den EERSTEN van het Verbond; de woorden hebben te maken met het WOORD. hoewel, daar ongrijpbaar onverklaarbaar voor geen uitleg vatbaar, niet te "bewijzen", verschijnt dit verschijnsel voor ons verhuld onthullend in de woorden van de Schrift: het in en door ónze woorden SPREKEN van het WOORD. poëzie is er bij de genade van ónze wijze én bij de genade van de wijze van god. zij is uit en in een in vloeien van gods Woord in het onze een samenloop van gods WOORD en het ónze.

            het WOORD (in ónze woorden) is juist die eigen productiviteit, dat grens overschrijdende, dat nooit affe, onvoorspelbare, verborgen onderhuidse eigen aan poëzie. het is er in ónze woorden, inderdaad soms in weerwil van onze woorden: onze woorden naar den weg richtend, drijvend. zó dat onze woorden méér zijn dan onze woorden: met het WOORD verrijkt. dit is: poëzie. poëzie heeft plaats als onze woorden wonder lijk met het WOORD worden verrijkt. die eigen productiviteit, dat grens overschrijdende, nooit affe, onvoorspelbare, verborgen onderhuidse: het Woord van jahweh.

            2.c. als de lezer blijft hangen aan ónze woorden, zich door de aanwezigheid van ónze woorden in een gedicht laat afleiden van de aanwezigheid van het Woord van jahweh er in, wordt hij inderdaad misleid, of misleidt hij zichzelf.

 

            3. nu doet p. couttenier een "ingreep": hij brengt gedichten in een bepaald verband; hij doet een keuze. de vraag is: door wie of wat dit verband wordt bepaald; wat die keuze verantwoordt?

            stelling: Er is een verborgen bouwrritme in die poëzie. de vraag is nu: is dit ritme de beweging van ónze woorden, óf van het Woord van jahweh?

            3.a. het is gewoon natuur lijk eigen aan ónze wijze voortdurend steeds weer te "schommelen": van onrust uit verlangen naar bevestiging in vastheid naar (toch weer) storing van die vastheid door de zekerheid dat het den mens -in die dingen van leven en dood, licht en duisternis, goed en kwaad...-, dat het een mens niet gegeven is wiskundig, wetenschappelijk zeker te zijn. wat sint-paulus noemt: "als in een spiegel". het zal wel zó zijn dat in niet alleen deze gedichten, maar in zijn hele oeuvre, dit "schommelen" aanwezig is. en als ik mij niet vergis niet zozeer als een verborgen, maar wel als een duidelijk zichtbaar bouwritme. het maakt, mede, ónze wijze accentuerend, de wilde en onvervalste pracht uit van deze blommen langs den watergracht.

            3.b. mede. want dit bouwritme naar ónze wijze mag niet misleiden, niet afleiden van het bouwritme van jahwehs Woord, dat duidelijk gezelles oeuvre beweegt. en dit ritme is geen "schommelen". het is een in crescendo stuwende dynamiek van

                        "Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,

                                    den heiligen Name van God!".

dàt is precies wat de GEEST in ons woord (ons schrijven) her innert: den heiligen NAAM van god; de openbaring van de Waarheid van de WERKELIJKHEID van God en Vader Schepper van hemel en aarde, van God den Zoon het ja-woord van Zijn Verbond, en van God den GEEST, Die dat allemaal in ons her innert.

            3.c. de GEEST is in gezelles oeuvre altijd en overal helemaal aanwezig. is zijn éne grote THEMA. de letter brengt (onder)scheidingen aan die naar ónze wijze in onze wijze te onderscheiden zijn. met gevaar van verdeling tot verdeeldheid. de geest doet leven, maakt één: één Heer, één Geest, één geloof, één kerk.

            de geest van gezelles oeuvre is één uit en in het her inneren van den GEEST. er zijn geen "thema's"; er is alleen het THEMA. zó als er in alle poëzie geen thema's zijn. de rijkdom van poëzie is het THEMA: het door en in óns woord altijd en overal helemaal verschijnend Woord van jahweh, WOORD van den Vader. het verlangen is een altijd en overal helemaal verlangen; de bevestiging een altijd en overal helemale bevestiging; de storing een altijd en overal helemale storing. én, bóven dien, het geloven een altijd en overal helemaal geloven. het THEMA is een àlle "thema's" als de regenboog overkoepelend bóven dien.

 

            4.a. poëzie is een onder ons verschijnend verschijnsel in uit en in de SAMENwerking van het WOORD (den GEEST der Waarheid, den HELPER) met óns woord ontstane woorden. dit "verklaart" de aanwezigheid van ónze wijze (intentie, bedoeling) én van de wijze van god (de eigen productiviteit, eigen weg, het doorbreken van de grenzen, het onaffe, het verborgene, onder huidse). de eigen productiviteit (in de poëzie, maat niet er van) van den GEEST (Zijn her inneren) transcendeert de productiviteit van den dichtenden dichterlijken, en juist dit maakt poëzie boeiend: geeft ons leven een ZIN uit en in het LEVEN, de WAARHEID, den WEG. gezelle noemde den GEEST: de engel der poëzij.

            4.b. poëzie is geen "spook". zij is een wonder werk van een HAND in een hand. en als ik mij niet vergis heeft gezelle dit "begrepen" uit en in de Schrift. en heeft hij, later, begrepen dat de wereld minder en minder begreep, of wilde begrijpen, dat hij dit begrepen had. als hij den draad weer opnam en intenser dan ooit voortdeed, moet het geweest zijn omdat de GEEST (de engel der poëzij) wilde hernemen en intenser dan ooit voortdoen aan de hand van gezelle: het schrijverke; de blomme langs den watergracht.

                        "Geboren, arg- en schuldeloos,

                        daar God u eens te willen koos

                        daar staat ge: en in den zonneschijn,

                        al dat gij doet is blomme zijn!...

                        aanschouwende en bevroedende in

                        elk uiterste einde 't oorbegin,

                        den grond van alles; meer gezeid,

                        maar nog niet al: Gods eerstigheid!" (6-6-1882).

 

<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>


begin boeken levensverloop contacteren

Ernest Bornauw /Provijnsstraat 2 /3020 Herent /België
Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
Als gebruiker mag u het werk kopiëren, verspreiden, tonen en op- en uitvoeren onder de volgende voorwaarden:
• Naamsvermelding. De gebruiker dient bij het werk de door de maker of de licentiegever aangegeven naam te vermelden.
• Niet-commercieel. De gebruiker mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken.
• Geen Afgeleide werken. De gebruiker mag het werk niet bewerken.
• Bij hergebruik of verspreiding dient de gebruiker de licentievoorwaarden van dit werk kenbaar te maken aan derden.
• De gebruiker mag uitsluitend afstand doen van een of meerdere van deze voorwaarden met voorafgaande toestemming van de rechthebbende.
Het voorgaande laat de wettelijke beperkingen op de intellectuele eigendomsrechten onverlet.
Bewerkt voor internet door Bart De Wolf
desheerens.com is online sinds januari 2005