|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
1. De bijbelse mens is niet zozeer de mens die in den Bijbel voorkomt, maar veeleer de mens in den Bijbel die leeft van den geest die van den Heiligen GEEST is. dit is: die "luistert naar" het woord van GOD tot de mensen op de wijze van het Woord en het WOORD, erin gelooft" en "het volgt".
1.1. het Woord is ons gegeven in het eerste BOEK: het BOEK waarin GOD spreekt door den mond van feite lijke, historische vertellers, profeten, wijzen en dichters, wier woord gegrond is in feiten, in de geschiedenis van israël ("Mijn zoon", "Mijn volk"). zó dat in den Bijbel, de Schrift, GOD (het Woord van "den HEMEL") en mensen (het woord van "de aarde") samenvloeien, -hangen, -lopen en -werken.
deze on verdeelde éénheid is het geheim van de woorden van de Schrift. die naar ze luisteren, in ze geloven en ze volgen, horen, zien, tasten, voelen en denken ze geheime lijk wonder lijk als wezen lijk ànders ("Maar Ik zeg u..."), wezen lijk grondig verschillend van de woorden van mensen ("Men heeft u gezegd..."). zij zijn en laten zich lezen als rijker, groter, méér. "Hier is er meer.". "in het verborgene", "tussen de regels", "onderhuids", als "tweede bodem", méér: openbaring op de wijze van "tekens", "sporen" van GOD den VADER SCHEPPER, GOD den ZOON VERLOSSER, en GOD den Heiligen GEEST VOLTOOIER in den hemel én op aarde (onder ons voor ons).
uit dér aard is het eerste BOEK een geloofsboek. het opent Zich aan die "er in geloven": die vreemd welwillend ertegenover en teder toegankelijk ervoor ernaar luisteren (in de dubbele betekenis van -naderend en scherper toekijkend- horen en volgen, doen). in dit perspectief is de bijbelse mens de gelovende: diegene die, door het Woord van GOD getroffen, zich door dat Woord in het beleven van zijn leven laat leiden...en bevrijd, bevreugd en bevredigd wordt.
1.2. het WOORD is ons gegeven in den mens geworden GOD den ZOON, jezus CHRISTUS. Zijn "verhaal" is door "de leerlingen" ("de eerste getuigen en bedienaars van het Woord") bewaard en "opgetekend" in het tweede BOEK.
jezus CHRISTUS is het WOORD van den VADER: als woord van den ZOON wonder lijk direct en VOLTOOIING van het Woord. doordat Hij GOD is, is Hij GODS Woord in VOLHEID; doordat Hij een mens is, brengt Hij ons die VOLHEID geheime lijk wonder lijk naar ónze wijze op ónze wijze in woord en daad. als "Maar Ik zeg u..." en "Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat ook gij zó zoudt doen.".
het tweede BOEK is het geloofsboek bij uitstek van de christenen: de gekerstenden, de in Hem gedoopten. het is een Blijde Boodschap: VOLHEID van boodschap van GOD den VADER aan israël én het hele volk van GOD ("het huis van de Heer"). het BOEK voor die "naar Hem luisteren", "in Mij geloven" en "Mij volgen". Zijn geheim is het geheim van den ZOON, ons geleerd en in ons her innerd door den door Hem tot ons gezonden Heiligen GEEST. uit dér aard is het geheim van den "luisteraar", den "gelovenden", den "(na)volger", zich bij het lezen van het tweede BOEK door den Heiligen GEEST te laten leren en in her innering brengen "al wat Ik u heb gezegd". vreemde welwillendheid en tedere toegankelijkheid. zó als johannes den (mens lijk weerbarstigen) kop tegen jezus' GOD lijk hart vleien.
1.3. het eerste en tweede BOEK maken den helen Bijbel, de hele Schrift uit. zij zijn geheime lijk wonder lijk on verdeeld één. uit dér aard is de bijbelse mens de gelovende in beide. er is geen tegenspraak, noch in het Woord en het WOORD, noch in den mens van het Woord en het WOORD.
2. de bijbelse mens is de on verdeelde, de door het Woord en het WOORD hoogst en diepst, langst en breedst verzamelde, samengeworpen mens. de mens van het VISIOEN van de on verdeelde éénheid van "HEMEL" en "aarde". toén. de Schrift was de vaste GROND van zijn bestaan en beleven. zijn geheim was het geheim van GODS Woord; van het LICHT en de KRACHT van "al wat IK u heb gezegd" op de wijze van wat de vertellers, de profeten, de wijzen en dichters geheime lijk wonder lijk hadden gehoord en opgetekend. uit der aard refereerde het bestaan en beleven van den bijbelsen mens op aarde naar "wat er geschreven staat". naar de "hemelse" BRON, het "hemels" levend leven gevend en bevorderend water. naar Wie anders zou hij gaan? de Schrift is woorden van eeuwig leven; woorden die niet verloren, niet voorbijgaan.
uit der aard was de bijbelse mens de mens die dààr en toén, dit is "aards" op aarde, leefde met INZICHT in en UITZICHT op "den HEMEL". "Vóór het aanschijn van de Heer". de begenadigde mens. de naar Ons beeld en gelijkenis geschapen naar Ons beeld en gelijkenis levende mens.
3. en hiér en nù? de bijbelse mens is van alle plaatsen en alle tijden. de bijbelse mens hiér en nù is de mens die leeft van het levend water. dit is: "...niet van brood alleen, maar van elk woord dat uit de mond van GOD komt".
wie zal de hoogte en diepte, lengte en breedte van dit woord van de Schrift (Deut. 8/3; Mat. 4/4), van brood en woord, van "aarde" en "HEMEL" doorgronden? de uiteenwerper ("de boze geest") werpt ze uiteen, verdeelt ze. en zó de "boze" geest, die van "den bozen geest" is, in een mens. alleen de "goede" geest, die van den Heiligen GEEST is, in een mens werpt ze samen, verzamelt ze, veréént ze. de "goede" geest, die de geest is van den bijbelsen mens hiér en nù. de "goede" geest, GEGROND in de SCHEPPING en het VERBOND en "ontvangen van de Heilige Geest", doet den bijbelsen mens hiér en nù "naar Hem luisteren", "in Mij geloven" en "Mij volgen"; is zijn geheim.
hij is, naar sint-paulus' woord, "de geest, die levend maakt", die VOL doet leven. waar de letter doodt. de bijbelse mens van hiér en nù is de mens van den geest en niét van de letter. de mens die niét doodt, maar levend maakt. Amen. amen, en daarmee uit.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
