|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
In den loop der tijden zijn er onder de mensen mensen gekomen die koning werden genoemd, met dien titel vereerd. óns woord koning heeft te maken met een germaans kunja (geslacht) en betekent oorspronkelijk: die afstamt van een -eigenlijk goddelijk- geslacht. zie het Oude Testament, waar de koningen "gezalfd", dit is door profeten van JAHWEH vanwege JAHWHE, den HEER, met Zijn gezag werden "bekleed". de attributen die hun werden opgelegd en die zij met zich meedroegen, waren het teken van dat gezag.
de koning (in onze dagen eventueel koningin) is de opvolger, meestal de zoon (of dochter) van een koning(in). al is in den loop der tijden het gezag onder “democratischen” druk getaand, zo niet weggedeemsterd, en heeft een koning/koningin niet veel meer om het lijf, de titel, de uiterlijke attributen en geplogenheden zijn, als bijdragen tot de in onze dagen zo geliefde, met veel tralala opgezette en om de een of andere reden "gepubliceerde" show, tóch voorwerp van "de gevoeligheden van onze tijd" gebleven. tóch in ons taalgebruik blijven na werken op de wijze van: "Hij is de koning van dit, zij is de koningin van dat." dit is: de eerste, voorste (vorst/vorstin), hoogste. met, als waren zij van een koninklijk geslacht, van koninklijken bloede, een zeker ontzag voor hem of haar.
de dichters van het eerste BOEK hebben het teken in dit menslijk verschijnsel gezien en den koning tot een beeld van JAHWEH opgetild. in het Oude Testament waren de koningen de zonen van den KONING: van JAHWEH, van den HEER. en als dusdanig onaanraakbaar, untouchable, en eerbiedwaardig. zie het feit dat david als vrome dienaar van den HEER precies daarom koning saul bleef respecteren en weigerde den in zijn tent onbewaakt slapenden saul te doden.
het hoeft ons dus niet te verwonderen dat de schrijvers van de SCHRIFT JAHWEH den titel van koning gaven en met alle attributen ervan "bekleedden".
"Want Ik ben een grote Koning, spreekt
Jahweh der heerscharen, en Mijn Naam
is onder de volkeren geducht."(Mal. 1/14).
"onder de volkeren", dit is: door de andere (kleine) koningen. JAWHEH Zelf noemt Zich een grote, door de koningen der Hem omringende volkeren geduchte Koning. HIJ "vervloekt de bedrieger,...Ik slinger de vloek over uzelf en maak ook uw zegen tot vloek". dit is: beschikt over leven en dood, want zegen was leven en vloek was dood. het ziet er in moderne ogen allemaal nogal dictatoriaal, tiranniek en zelfs luguber uit, zó dat (terwille van een letter lijke interpretatie van die teksten) er een zekere weerstand, een voor de handliggende weerbarstigheid tegenover die manier van uitdrukken ontstaan en de kracht van het impact ervan verloren gegaan is. maar voor die in de letter den geest, die van den Heiligen GEEST is, ontdekken, er naar luisteren en er in geloven, verschijnt het beeld van GOD (den VADER SCHEPPER) als de HEER van hemel en aarde. voor hen blijft:
"De zoon eert zijn vader, de knecht vreest
zijn meester! Maar zo Ik dan een Vader ben, waar
is de eer die Mij toekomt?; en ben Ik een meester,
waar is dan de vrees voor Mij?" (Mal. 1/6);
"Hebben wij niet allen één Vader?
Heeft niet één God ons geschapen?" (2/10);
"...Mijn verbond met Levi..." (2/4);
"...Mijn wegen..." (2/9);
"Zie Ik zend Mijn gezant voor u uit, om
voor Mij de weg te bereiden!" (3/1).
in die bijbelse lijn is jezus CHRISTUS, als ZOON van den VADER, de "grote koning", koning van israël. daarop wijst reeds de engel der boodschap aan maria:
"Hij zal groot zijn en Zoon van de
Allerhoogste worden genoemd. God de
Heer zal Hem de troon van zijn vader
David geven; Hij zal koning zijn over
het huis van Jakob in eeuwigheid, en aan
Zijn koningschap zal geen einde komen."(Luc. 1/32-33).
de engel spreekt uit zijn aard van naar de aarde gezonden hemeling méér zinnig: jezus' koningschap is wezen lijk "niet van deze wereld", wat Hij tegenover pilatus bevestigt:
"Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.
Indien Mijn koninkrijk van deze wereld was,
zouden Mijn dienaars zich te weer hebben
gesteld opdat Ik niet aan de joden zou worden
uitgeleverd; maar Mijn koninkrijk is niet
van deze wereld. Pilatus zei Hem: Gij zijt
dan tóch Koning? Jezus antwoordde:
Gij zegt het: Ik ben Koning."(Joh. 18/36/37).
dit door jezus als "niet van deze wereld" gezien en onderstreept koningschap werd door pilatus en de joden van Zijn tijd misverstaan: zij kenden alleen "aardse", politieke koningen, voor pilatus "heersers over", voor de joden "bevrijders van". jezus heeft Zich nooit door die "idee" laten vangen, "trok Zich terug" waar Hij voelde dat zij Hem ertoe wilden "dwingen" (zie de blijde intocht, waarbij johannes -ter verklaring dat jezus die hulde toestond- noteert: "dat dit van Hem geschreven stond en dat men dit aan Hem had vervuld" [Joh. 12/16]).
jezus heeft Zelf de betekenis van Zijn "Koning zijn" vóór pilatus gearticuleerd:
"Ik ben geboren en in de wereld gekomen
juist om te getuigen voor de waarheid.
Alwie uit de waarheid is, luistert naar
Mijn stem." (37).
jezus stelt de waarheid van Zijn Koningschap in het teken van de WAARHEID ("Ik ben de waarheid."). alleen wie "naar Hem luistert" en "in Mij gelooft", is in staat die waarheid te zien; wie zó als pilatus spreekt ("Wat is waarheid?"), levert Hem over:
"Neemt Hem dan zelf en kruisig Hem!" (Joh. 19/6);
"Pilatus zei hun: Zal ik uw koning kruisigen?
De opperspriesters antwoordden: Wij hebben
geen koning dan Cesar. Toen gaf hij Hem
aan hen over om gekruisigd te worden." (15-16).
HEM aan hen! "Wat is waarheid?!". zó tekent johannes het VERSCHIL tussen "HEMEL" en "aarde" op een schrijnend scherpe wijze. jezus is niet alleen "een steen des aanstoots", "een steen door de bouwlieden verworpen", maar ook een "breekpunt": de natuur lijke plaats waar een mens voor het leven dat "niet van deze wereld is", of voor het leven dat van de wereld is, kiest.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
