|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Naar genesis verwijzend:
"God sprak: Er moeten lichten komen aan het
hemelgewelf om de dag en de nacht van elkaar
te scheiden; zij moeten ook tot tekenen dienen
voor vaste tijden, dagen en jaren; en zij moeten
als lichten staan aan het hemelgewelf om de
aarde te verlichten. God maakte de beide grote
lichten: het grootste licht om de dag te
beheersen, en het kleinste om heerschappij
te voeren over de nacht; bovendien de
sterren. God plaatste ze aan het hemelgewelf
om de aarde te verlichten, om te heersen over
de dag en de nacht, en om licht en duisternis
van elkaar te scheiden" (Gen. 1/14-18),
noemde jakobus GOD "de Vader der lichten" (Jak. 1/17), van "el sole e l'altre stelle", Die "zag dat het goed was". dit "goed zijn" indachtig zegt hij:
"Niets dan goede gift en volmaakte gave
komt van boven en daalt neer van de Vader
der lichten, bij Wie geen verandering
bestaat of schaduw van wisselvalligheid/
verduistering door omwenteling." (17).
GOD is VOL licht en kent, in tegenstelling tot Zijn schepping, geen duisternis. uit dér aard wil Hij duisternis in en onder de mensen niet.
"Niemand mag dus zeggen als hij bekoord wordt:
Ik word door God bekoord. Want evenmin als
God zelf door het kwaad wordt bekoord, brengt
Hij wie ook in bekoring."(13).
maar, en tóch, en zie: de mensen, "door prediking der waarheid verwekt opdat zij de eersteling zijner schepselen zouden zijn", keren zich -uit eigen begeerlijkheid- van het licht (wat "goed is") af en kiezen de duisternis (het "kwaad"):
"Iedere mens wordt door zijn eigen begeerlijkheid
bekoord, verleid en verlokt." (14).
dit is: zij kiezen niet het leven van het licht, maar "wentelen zich om", van het licht af naar de duisternis, den dood.
op subtiele wijze alludeert jakobus naar de "wisselvallige", "zich omwentelende" planeet aarde, die precies uit dér aard den nacht kent, "door omwenteling duisternis". het wordt in zijn ogen een treffend beeld van de ongedurigheid, wisselvalligheid, den hang naar om wentelen en veranderen van die op aarde zijn en de aarde in haar omwentelingen volgen. een beeld van "hun eigen begeerlijkheid" in den vorm van tegen GODS "droom" (het "goed" zijn van Zijn schepping) ingaande eigendunk, eigengereidheid, eigenwilligheid, drang naar zelfstandig- en onafhandelijkheid. met als gevolg van dien: door dit zich om wentelen wentelen zij zich van het licht af en komen in de duisternis terecht.
het is het geheim der vrijheid van den "eersteling", die OORSPRONG lijk "goed" (recht) geschapen is en zich tóch uit "aardse" begeerlijkheid naar het "kwaad" wendt (krom loopt). het geheim van de "bekoring". de gave der vrijheid is wezen lijk een "beproeving van uw geloof" (3), een uitnodiging tot "volkomen te worden geduld", tot hiér en nù niettegenstaande de wisselvalligheden van de omstandigheden op aarde te leven met UITZICHT-op-bóven, op den "Vader der lichten, bij Wie geen verandering bestaat of schaduw van wisselvalligheid". geen "duisternis door omwenteling".
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
