|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Een mens, eens geboren en getogen, gaat aan het werk om enerzijds zijn dagelijks brood te verdienen en anderzijds iets voor de mensen te doen. hij heeft gewoon een, kleiner of groter, “publiek”. de feiten tonen aan dat het gevaar bestaat dat dit publiek hem zodanig naar zich toetrekt, dat het de leiding neemt en zijn wijze van werken grotendeels bepaalt. dit valt nog meer op in een tijd waarin dit werken op beeldbanden wordt “opgenomen” en dus “uitgezonden”, gepubliceerd kan worden. dan ziet de werker zichzelf aan het werk en hoe het publiek erop reageert, met als gevolg van dien dat hij een goed figuur wil slaan, het publiek wil winnen door het te geven wat het verlangt, en uit der aard nog meer van de “toeschouwers” afhankelijk wordt. vandaar het probleem: optreder en publiek, of: hoe kan de werker onafhankelijk van zijn publiek, dit is zichzelf blijven.
toen jezus Zijn werk (onderrichten en te eten geven) verricht had, “zond Hij de schare heen”. Hij was er niet op uit dat het publiek Hem “tot koning zou kronen” en bleef evenmin daarop wachten. voor Hem ging het erom uit Zichzelf, zonder Zich door Zijn publiek te laten beïnvloeden, laat staan leiden, Zijn werk goed te doen en zó doende de mensen goed te doen. nu was Hij ermee klaar en gereed om Zijn leerlingen te doen inschepen en Zelf “het gebergte in te trekken om er te bidden” (46). zó gaf Hij “de leerlingen”, en óns, ook hiér, een voorbeeld van zijn werk doen en met het publiek omgaan.
wie zijn werk doet, moet dit uit zichzelf, uit zijn langzaam verworven inzicht en vaardigheid doen, zonder zich door zijn toeschouwers of –hoorders te laten beïnvloeden, laat staan leiden. want de echte beoordelaar ervan is niet het publiek, maar hij zelf. zijn echte voldoening is: dat hij zijn werk goed gedaan heeft, en uit der aard, of het publiek dat goed vindt of niet, apprecieert of niet, dankbaar is of niet, goed doet aan zijn publiek. goed gedaan werk doet goed, aan den werker en aan diegenen voor wie hij werkt. als zij ondankbaar zijn, laat hij zich niet erdoor uit het lood slaan en hem er toe brengen goed werk verrichten optegeven; zijn zij echter dankbaar, dan neemt hij die dankbaarheid, als een be- en aanmoediging, graag aan.
maar dit is zeker: hij zal in elk geval, als een monnik, een monnik in het hart, eenzaam zijn.. hij zal zich, om het niet te begeven, “in het gebergte moeten terugtrekken…om er te bidden”. dit is: om niet destructief eenzaam, maar op de wijze van “alleen met de Allene” (newmans “myself and my Creator”) en zó als jezus in goed gezelschap te zijn. zijn eenzaamheid is een constructieve kracht, die het hem mogelijk maakt uit en in zichzelf “goed” te worden, te zijn en te blijven. en uit dér aard “al goed doende” dit “goede” aan de mensen te brengen. de VADER zal hem op nieuw scheppen, de ZOON zal hem bevrijden (het mogelijk “kwade”, “de zonde”, uit hem wegnemen), en de Heilige GEEST hem “vervullen”. dit is: in hem her inneren wat hij aan zijn publiek als met maar niet van moet zeggen, en wat voor hen doen.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
