|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Gij schrijft, op aanvraag van een buurman, een tekst voor het parochieblad en krijgt die terug met onderaan nerveus, zo niet geërgerd geschreven: “Onverstaanbaar!”. dit “Onverstaanbaar!” laat verstaan: “Ik versta het niet, dùs IS het onverstaanbaar.”. dàt geeft te denken. wat voor een (idiote) redenering is dat? al wat iemand niet verstaat IS dus, in se, onverstaanbaar. maar, en tóch, en zie: eigen ervaring leert dat er duizenden dingen zijn die gij niet verstaat omdat zij, bij voorbeeld, bevindingen van “specialisten” zijn, die ze wél verstaan. het zal dus nooit in uw kop opkomen (als een idioot) te beweren dat die bevindingen, omdat gij ze niet verstaat, in se onverstaanbaar zouden zijn. hoe komt iemand dan ertoe zó iets te beweren? het handschrift onder uw tekst geeft het antwoord: het verstand (bron van juist redeneren) is, bij voorbeeld, door een opgezweept gevoel uitgeschakeld. of men weigert de nodige inspanning te doen om iets wél, of men wil gewoon iets niet verstaan, en veegt het dan met “Onverstaanbaar!” onder de tafel.
valt het, bij voorbeeld, niet op dat precies zo velen die niets noch van geloven, noch van de Kerk willen horen of weten, of die over geloofsgeheimen, geloven en de Kerk andere gedachten, meningen hebben, tégen de Kerk zijn, niet van Ze houden, of gewoon ter wille van een in hun ogen negatieve priveërvaring, het meest over geloven en de Kerk praten en schrijven? dat geeft ù te denken. te meer omdat wat zij zeggen of schrijven duidelijk te kennen geeft dat zij noch de geloofsgeheimen noch erin geloven kennen, en evenmin een inzicht hebben in wat de Kerk in wezen is. wat, dunkt ù, allesbehalve intellectueel eerlijk is. zinvol, en meteen constructief over iets spreken of schrijven, veronderstellen ten minste enigszins, en liefst grondig op de hoogte zijn van, én een “goeden” geest, die de waarheid liefheeft en van ze wil getuigen. hoe komt iemand ertoe tóch, niet zozeer vanuit een (wat te begrijpen is en alle lof verdient) kritisch bevragen, maar veeleer duidelijk vanuit een over-, zo niet onkritisch in vraag stellen, zijn ideeën over geloofsgeheimen (die hij niet gelooft), over geloven (wat hij niet doet) en over de Kerk (Die hij niet kent, van Die hij niet houdt, Die hij, om welke reden dan ook, niet in het hart draagt) te spreken en te schrijven? het is het geheim van het geheim mens. uit der aard heeft het geen zin met zo iemand te “dialogiseren”, laat staan discussiëren. wel heeft het zin dat die in de geloofstgeheimen en de Kerk (als hoedster ervan) gelooft en van de Kerk (als van zijn moeder) houdt, rustig, geheime lijk wonder lijk, op Uw woord en uit en in her innering door den Heiligen GEEST ervan overtuigd in de waarheid te zijn, zijn visie uitspreekt of schrijft.
er is, bovendien, in de wereld van “onze tijd” zo veel dat te denken geeft, dat die over àl die dingen zou willen denken, wel eens de kluts zou kunnen kwijt geraken. zo als “tallen spele” is ook hiér “mate goet”. dit is: zich beperken en op de essentie concentreren en zó doende vermijden dat men ter wille van al die “delen” het “geheel” niet meer ziet. de VASTE grond voor een waarachtige, GOD en mens waardige en waardevolle houding tegenover geloofsgeheimen, geloven en de Kerk is een innerlijke uit en in verzamelen, samenwerpen, verworven gebaldheid, waarin alle “delen”, gewoon natuur lijk binnen het “geheel” opgenomen, “als vanzelf” vanuit het “geheel” opgeklaard worden. geloofsgeheimen zijn een onverdeeld GEHEEL, dat grondt in en oplicht uit het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van “HEMEL” (het GEHEIM van GOD, Die in den hemel is) en “aarde” (de geloofsgeheimen van en voor de mensen, de Kerk in ’t bijzonder, die op aarde zijn). essentie (niet “al wat men , maar al wat Ik u heb gezegd”) overkoepelt alle bijzonderheden, laat ze aan het Licht deelhebben en uit dér aard in het Licht opklaren. zó dat het voelen (er met het hart bij zijn), het (van den Geest vervuld) denken over en (uit en in schouwen, dichterlijk zien) ver beelden in een klimaat van vreemde welwillendheid tegenover en tedere toegankelijkheid voor de geloofsgeheimen, geloven en de Kerk als “in goede grond” kunnen kiemen en VOL wassen. en meteen, door een schild beschermd en geharnast, de –te denken gevende- slagen van dwaze gevoeligheden, meningen en op hol geslagen fantasietjes gerust rustig kunnen opvangen.
dàt is de, niettegenstaande, positieve kant van dwaasheden: zij geven een mens te denken, bewegen hem tot nauwkeurig toetsen van zijn waarheid aan de Waarheid, maken hem weerbaar en helpen hem zijn geloof in, houden van en blij zijn om de geloofsgeheimen, geloven en de Kerk ongekreukt te “bewaren”. het ongekreukt uittespreken of te schrijven…tot glorie van GOD, Die in den hemel is, én meteen in dienst van de mensen, die op aarde zijn.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | contacteren |
