|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| inhoudstafel | >> volgende >> |
Hans christiaan andersen had ons toch via zijn sprookjes wel een en ander te vertellen. zo over een kachel, die de poes die ermee uitpakte dat zij kon snorren, van antwoord diende dat zij vonken kon afgeven; of over een lelijk jong eendje, dat in een verkeerd nest terechtgekomen was, maar wonder genoeg, een zwaan werd.
dat eendje (anderssen zelf) was en zag er anders uit dan de andere eendjes, was uit dér aard in den kring van de anderen niet welkom en werd, als vreemde eend in de bijt, “beest-achtig” uitgestoten. uitstoten, wegjagen, bepikken, het stukje brood in den bek uit den bek pakken, en, erger nog, beloeren, bespringen, de klauwen erin zetten en oppeuzelen, zitten in dieren als eigen aan hun instinct vastgeroest en blijven het. een weekhartige, diervriendelijke mens kan dat betreuren, maar zijn verstand verstaat het en…zijn verbeelding ziet een teken erin dat voor de “mensen” een bron van wijsheid is, een waarschuwing om het “beest-achtige” in ze uittedrijven en het “engel-achtige” intevoeren, de harde “stof”lijke werkelijkheid door den “geest” tot warme menselijkheid te cultiveren.
het lelijke jonge eendje groeide met den dag meer dan de andere eendjes, werd zichtbaar groter dan ze, en ontpopte zich uiteindelijk, “als vanzelf”, van binnen uit, tot een zwaan. er kwam een onrust in hem, een ontevredenheid met zijn situatie, een hartsgrondig uitzien naar zijns gelijken. en zie: op zekere dag ziet hij een vlucht zwanen door de lucht trekken en kan hij niet langer aan zijn verlangen weerstaan. hij slaat de vleugels wijd uit, zet zich van den platten grond af, vliegt naar de door de lucht trekkende zwanen en voegt zich bij ze. belandt eindelijk in de hem eigen omgeving, is en voelt zich er thuis. en die op den grond gebleven zijn, zien met lede ogen al die zwanen langzaam en “vliegend” in de verte verdwijnen.
ha! vliegen. dit teken voor die, aan den grond genageld maar diep in het hart dichterlijk bewogen, naar de heerlijkheid van het vliegen van een mus, een duif, een zwaluw, een leeuwerik, een (“wilde”) zwaan, een zeeemeeuw, een valk of een arend staan te staren en zouden willen kunnen vliegen. naar hùn wijze op hùn wijze “vleugels” krijgen, ze “uitslaan” en “vliegen”. een teken én een uitnodiging, zo niet een uitdaging. want, inderdaad, heeft een mens, vooral een dichterlijke, dan, met de gaven van den “geest” verrijkt “engel-achtig” wordend, niet zó als de engelen “vleugels” gekregen om te “vliegen”? dit is: zich van den platten grond afzetten, de vleugels uitslaan, zich op de hoogte van 10 meter bóven den platten grond verheffen en in de diepte van den hemel schouwen om dààr, -ànders dan in kikvors- in vogelperspectief een Inzicht-in zijn bestaan op aarde te krijgen dat door het Uitzicht-op zijn bestaan in den hemel verVOLd is. de natuur lijke plaats van een mens is de vaste grond van de aarde, de door hem te cultiveren “tuin”; zijn bóven natuur lijke plaats is de hoogte van het geheim, van het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van “aarde” en “HEMEL”. een mens ziet er op het eerste gezicht, beginlijk, als een lelijk jong eendje uit, maar op het in die naderen om scherper toetekijken langzaam gegroeid tweede, uiteindelijk, als een zwaan (een “sonans”: een muziekmakende, een zingende).
ingeschapen, en uit dér aard “als vanzelf”, van binnen uit, een zwaan, die, meer dan (mechanisch) vliegen, kan “vliegen”...if he cares and is lucky. als hij het LICHT Dat hem belicht om dit kùnnen “vliegen” te zien, en de KRACHT Die hem bekracht om het te doen vindt, vrij en vrolijk te vreden beaamt en volgt. het geheim van het geheim mens is: dat hij, enerzijds met beide voeten vast op den grond den hem gegeven tuin intens aandachtig cultiverend, anderzijds tóch met hart-, verstand- en verbeeldinglijke “vleugels” begaafd is, die het hem mogelijk maken naar zijn wijze op zijn wijze te “vliegen”. het hem mogelijk maken, ernaar doen verlangen en uitzien, het proberen en…uit Zijn VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere erin slagen. het door den “HEMEL” op aarde verrijkte, vergrote meer dan, het méér in zichzelf én in zijn omgeving, te HOREN, te ZIEN en te TASTEN.
uit en in zichzelf zijn de aarde en de mensen niet banaal. integendeel: als “beADEMde klei” schitteren zij als de zon en zijn wit als sneeuw. maar de aanwezigheid van en spanning tussen “goed” en “kwaad” hebben mensen ertoe verleid zichzelf en hun omgeving volteproppen met banaliteiten, die zo aantrekkelijk worden ingekleed en op een gouden schotel aangeboden, dat velen onder den druk van de bekoring bezwijken, zich -zó als baudelaires albatros op het dek van het schip- er bij neerleggen en erbij gaan neerliggen. de “beschaving” en de “cultuur” verzuipen in een stortvloed van door de media frenetiek aangeboden futiliteiten, die door de geestelijk leeggelopen klanten gretig worden binnengehaald om het verlies van het OORSPRONG lijk VISIOEN te “vergeten”. en ze verantwoorden hun “verdoving” met leuzen als: “Men leeft maar eens!”; “Profiteer van het leven!”; “Baas in eigen buik!”; “Een goede gezondheid/jong zijn en er jong uitzien is alles!”; “Je veux vivre!”; “Après nous le déluge!” enz. enz. en meteen wordt moeder aarde beroofd, verloederd en zonder blikken of blozen afgetakeld (overvallen, uitgeschud, lelijk toegetakeld en als halfdood achtergelaten). dàt is de ons alle dagen ten overvloede vóór de voeten geworpen realiteit. de innerlijke chaos en de leegte van een door schalkaards ontworpen, aan het “publiek” voorgeschotelde en gepromote knusse maar godvergeten “cultuur”.
die door “vliegen” wordt gefascineerd, vraagt rust, zoekt de binnen deze lawaaierige wereld nog hier en daar te vinden “stille plekken” op om er in stilte innerlijk stil te worden op de wijze van: naar het hem overstijgend onaantastbaar GEHEIM uitkijken, ernaar Opkijken, er van opkijken en erdoor geraakt “de vleugels uitteslaan”. dit is: vreemd welwillend ertegenover en teder toegankelijk ervoor op de uitnodiging “Kom maar eens kijken waar Ik woon.” ingaan, “naar Hém luisteren”, “in Mij geloven” en “Mij volgend” bij Hém blijven. en die uit dér aard de verraderlijke media doorhebben, ze schuwen, zich niet door kranten en teevee laten inpalmen en op een veiligen afstand van ze blijven, worden “beloond” met een vrijheid, een vreugde en een vrede “die de wereld niet kan geven”, die wezen lijk ànders zijn dan, méér, genoeg om voluit VOL ervan te leven. dit is: vervuld van den “goeden” geest, die van GODS heiligen GEEST is en den “bozen” uitdrijft.
| inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
