|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Een “heldere zanger”, die, als “koning Nachtegale”, ’s morgens, ’s avonds en ’s nachts in ’t loof geborgen de vogels alom doodklinkt. gezelles lievelingsvogel, dien hij in “Waar zit die heldere zanger?” op zijn zo eigen unieke dichterlijk technische wijze “beschreven” en, meer dan biologisch of filozofisch, altijd vanuit zijn geloof in den SCHEPPER der dingen op zoek naar het “wat/wie?” en “hoe?” en “waarom?”, visionair een identiteit heeft gegeven: Hij is…daar ik niet aan en kan,
een sparke viers, een boodschap van
veel hooger daken
als waarder menschen waken.
een boodschap, die hij al in “Het schrijverke” noemde: “één lesse, niet min nochte meer;”, en hier “een boodschap van veel hooger daken als waarder mensen –dit is: op aarde, zo niet op den platten grond- waken.”. meteen tilt die-dichterlijke-dichtende-bij-uitstek (“het mirakel Gezelle”) niet alleen het fysische, maar ook het metafysche op de hoogte van het metametafische. dit is: “de hoogere daken”; “daar ik niet aan en kan”.
het deert hem niet: ’t En deert mij niet, hoe oud gedaagd,
dat hij den zangprijs henendraagt,
en, vogel schoone,
mij rooft de dichterkroone!
is dat een boutade? een kneepje uit het boek “How to make friends”? een valse nederigheid? is deze uitspraak veeleer niet te plaatsen tegen den achtergrond, dien hij al in “Het schrijverke” als zijn gewoon natuur lijke plaats en meteen de gewoon natuur lijke plaats van elken dichterlijk dichtenden had geduid: “Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,/ den heiligen Name van God.”. de kern van gezelles visie op de hem vóór de voeten, aan de voeten gelegde en aan de handen toevertrouwde dingen der natuur is, zoals uit zijn hele oeuvre blijkt, het bijbelse: “Hemel en aarde verkondigen Gods glorie.”; de glorie van den SCHEPPER. schrijverkes en nachtegalen an al die door hem zo fijngevoelig ervaren en fijnzinnig getekende dingen der natuur zijn met de dichterlijke, en bóven dien dichtende mensen op een geheime lijk wonder lijke wijze, op Uw woord, verbonden, meer nog aan ze verwant, en tonen uit der aard zonder ook maar een zweem van “concurrentie” het hun ingeschapen verlangen naar die beider leven bevorderende bewondering waardige uitwisseling tussen een in de stilte in stilte stil enerzijds argeloos en anderzijds bewust medewerken met den SCHEPPER aan het VOLtooien van Zijn Schepping. een dichterlijk medewerken op de wijze van: dat de dingen met Tekenwaarde verrijkte tekens fageven en de dichterlijk dichtenden die tekens zien en ver beelden. op gevaar af dat vele mensen, vooral diegene die den zin voor het dichterlijke verkwanseld hebben, dié taal niet, of mis-, of niet willen verstaan.
gezelle moet het ondervonden hebben. zestig jaar oud en als dichtende veel onverstand, zo niet weerbarstigheid ervaren hebbend, beëindigt hij zijn gedicht over den nachtegaal met:
Want mensche en heeft u nooit verstaan,
noch al uw’ rijkdomrecht gedaan,
o wondere tale
van koning Nachtegale!
met een hoofdletter! meteen werpt gezelle “aarde” en “HEMEL” samen en verwijst hij den lezer van dit gedicht en van zijn hele oeuvre naar het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van “HEMEL” en “aarde”. meteen eindigt hij zijn gedicht op een weemoedige noot: het verdriet om het mis-, zo niet onverstaan van, of erger nog de onverschilligheid tegenover enerzijds het dichterlijke der dingen en het dichten der dichterlijken, en anderzijds de heerlijkheid van GODS Schepping en van GOD zelf. hij moet ervaren hebben dat men zich op zijn poëtisch technisch kunnen heeft verkeken, den “geest” van zijn “letter” niet heeft gezien en –“zijt gij zoo bot?- aan de boodschap, die “éne lesse” voorbijgegaan is.
het is niet moeilijk een “beeld” van gezelle zelf en van den aard van zijn dichten in zijn gedichten over planten (riet, kerzelaar, bladje, blomme enz.) en dieren (schrijverke, slekke, leeuwerik, bruine bie enz.) terugtevinden. is het niet het geheim van de dingen onverpoosd onverdroten tekens af tegeven en is het niet het geheim van den dichterlijken dichtenden die tekens te zien en te ver beelden? óók, denk aan andersen (de kachel, het lelijke jonge eendje) en al die vele andere “zieners”, zichzelf in ze te “zien” en, zich in de beelden verbergend, onder het nogal eens platte, grove, geestelijk leeggelopen “publiek” te wagen? zou hij dan, pretentieloos de waarheid herkennend, niet diep innerlijk geweten hebben dàt en hoé zijn dichten zijn “tijd” ver overtrof? heeft hij het zelfs niet uitgesproken in zijn “Ik ga”: (“ik ga, - zij blijven staan!”); “o Lied! o lied,”; “o Dichtergeest,”; “Hangt nen truisch”; en vooral in “En durft gij mij”: (“En durft gij mij van dichten spreken,/ die nimmer zijt in staat/ twee reken/ te rijmen dat het gaat!…maar deze/ die ton zijn bljven ton!…De miere en zal geen peerd heur wensen,/ de krieke geen radijs;”. uit en in het bewustzijn van zijn zijn en kunnen kende hij de hem eigen plaats, bleef erop, en zette hij die weinig of niets van zijn zijn en kunnen begrepen hadden of het niet wilden begrijpen, op hùn plaats.
zijn plaats was het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van “aarde” en “HEMEL”, Dat hij, als voluit gelovende én dichterlijke niet alleen “zag”, maar ook via zijn “als vanzelf” in hem werkende gave van dichten (zie “O Dichtergeest”: “en, uit uw’ handen,/ wat heeft uw’ dierste gunst mij weinig werks gekost!”) dichtte. het diepste geheim van koning Nachtegale was: zijn visie-uit-geloven-in-GODS-geloofsgeheimen op de dingen der Schepping en het bestaan der mensen op aarde, en zijn, door geen schalkaards, geen die schelden, schrikken, schimpen, zwetsen , brouwen en braân te hinderen of afteremmen, vrij en vrolijk en te vreden dichten.
en dàt is het geheim van den overal ter wereld ’s morgens vroeg, ’s avonds laat en zelfs ’s nachts in ’t loof geborgen nachtegaal. “El canto de la dulce filomena” (juan de la cruz) klinkt op de hoogte van het GEHEIM geheime lijk wonder lijk, op Uw woord, in de stilte in stilte stil alom de vogels dood…”bij zijnder kelen wondergroot’/ en felle slagen, in bosschen en in hagen.”. en die, caring and being lucky vreemd welwillend ertegenover en teder toegankelijk ervoor ingesteld zijn, kùnnen het horen en beluisteren.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
