Aantekeningen van Ernest Bornauw
"uit God geboren", met UITZICHT op in GOD terugtekeren


begin boeken levensverloop nota bene contacteren

Zwanezang 16/1/2006 - 3/8/2007

<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>

22-1-06                 de leeuwerik

 

Het eigene van de leeuweriken is: zij leven in het midden van het veld, bouwen hun nest op den grond, zetten zich af en toe van den grond af, cirkelen zingend de hoogte in  en blijven dààr zingend hangen. zó dat een landbouwer of een wandelaar, verrast, plots een leeuwerik hoort zingen, hem opspeurt, met de ogen volgt en, in de hoogte starend, verwonderd blijft luisteren. een leeuwerik is een bewondering waardig natuurverschijnsel in het open veld, a thing of beauty, dat niet zozeer door zijn uiterlijk opvalt en de aandacht trekt, maar door zijn zang en de wijze waarop het dien laat horen. méér, meer dan een brok romantiek voor romantische mensen. een dichterlijk ding. en het hoeft ons niet te verwonderen dat een dichterlijke dichtende voor ons een “Ode to a skylark” zong als a joy for ever. of gezelle -in het midden van het veld schouwend in de diepte van den hemel-met een knipoog naar den hemel zijn “Hemellawerke” (1890?).

zijn lied is een hooglied. een “toemaat” voor den in het zweet zijns aanschijns den tuin bewerkenden boer, of voor een al wandelen de stilte, de rustbrengende rust, de dertig-, zestig-, honderdvoudige vrucht van de velden in de open de gezonde lucht genietenden “wandelaar”. een “toemaat” op de wijze van hen bevreugdend en bevredigend, of, if they care and are lucky, hun een hen van de beslommeringen van den platten grond bevrijdend teken van de aanwezigheid op aarde van het méér, het naar tot OP kijken uitnodigend “hogere” gevend.

                Midden in Gods werken levend,

                               ’t gaat hem beter, achter ’t land,

                die u naziet, te elker stonde,

                               daar hij zaait en zeeuwt en plant.

 

                Dan verrijze ik, luchtlawerke;

                               zette ik zeil en vaar getroost

                naar de hoogten, daar gij schouwend

                               eert den dagraad en den oost.

 

dit gedicht is een staaltje van gezelles schouwend “filosoferen”, zijn in het midden van het veld (“Gods werken”) zeil zetten, getroost (“in ’t droevig tranendal”) naar de hoogten varen en den dageraad en den oost eren. zó, intens aandachtig, met het hart erbij, schouwend (“krinkelend” of “de lucht in cirkelend”) op aarde aanwezig, heeft hij een voor velen onverstaanbaar, zo niet vervelend geworden en tóch niet mis te verstane taal opgebouwd,  de taal van een “theoloog”, een “mysticus”, een “ziener”. een hoogst poëtische en bóven dien van den “goeden” geest, die van den Heiligen GEEST is, vervulde “letter”. de taal van een “Hemellawerke”.

de taal van de “leeuweriken” onder ons voor ons is wezen lijk -zoals men wel eens hoort beweren- niet “onverstaanbaar”, zelfs in feite niet “moeilijk”. zij is wel “eigen” (“Mijn herte en mijn tale, mijn/ zede en mijn zin,/ ’t is al zoo van buiten, ’t is/ al zoo van bin’;/ ’t ligt alles daar bloot op mijn’ handen!”. geladen VOL niet alleen van een hun door den Heiligen GEEST her innerde met de gezindheid die eigen was aan Jezus Christus éénsluidende “visie”, maar ook van een “vreemde” wijze van spreken: een “spreken-in-gelijkenissen-uit-gelijkenis”, een dichterlijk spreken. en die twee “eigenschappen” maken ze voor die noch met dié visie noch met een dergelijke wijze van spreken vertrouwd zijn,  “moeilijk”, zo niet “onverstaanbaar”. het geheim van hun taal is die geheime lijk wonder lijke wisselwerking tussen dat “zien” en dat “spreken”, die elk woord op zich en alle woorden samen belichten en den VOLLEN zin ervan ophelderen. en dàt is het geheim van den beminnelijk menslievend in hen werkenden, hun horen, zien en tasten, voelen, denken over en ver beelden tot HOREN, ZIEN en TASTEN verrijkenden, vergrotenden, “verdubbelenden”, verméérenden GEEST van den VADER en den ZOON. sprekend uit en in den Naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, hun voorhoofd, hart en mond met het kruisteken tekenend, zetten zij zich van den platten grond (“Men heeft u gezegd…”) af en stijgen zij op naar de duizeling wekkende hoogte van  “al wat Ik u heb gezegd” (Maar Ik zeg u…”).

 

<< vorige << inhoudstafel >> volgende >>


begin boeken levensverloop nota bene contacteren

Ernest Bornauw /Provijnsstraat 2 /3020 Herent /België
Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
Als gebruiker mag u het werk kopiëren, verspreiden, tonen en op- en uitvoeren onder de volgende voorwaarden:
• Naamsvermelding. De gebruiker dient bij het werk de door de maker of de licentiegever aangegeven naam te vermelden.
• Niet-commercieel. De gebruiker mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken.
• Geen Afgeleide werken. De gebruiker mag het werk niet bewerken.
• Bij hergebruik of verspreiding dient de gebruiker de licentievoorwaarden van dit werk kenbaar te maken aan derden.
• De gebruiker mag uitsluitend afstand doen van een of meerdere van deze voorwaarden met voorafgaande toestemming van de rechthebbende.
Het voorgaande laat de wettelijke beperkingen op de intellectuele eigendomsrechten onverlet.
Bewerkt voor internet door Bart De Wolf
desheerens.com is online sinds januari 2005