|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Zij zijn klein, hippelen, springen, reppen, roeren, razen weg en weêre, hangen acrobatisch, tot hals over kop, met de klauwtjes in ’t netje van den voedselbal en pikken de zaadkorrels eruit, of vliegen van een takje regelrecht het piepkleine gaatje in het nestkastje binnen en weer uit.
klein en, als het ware vrolijk, speels. en die ze nauwkeurig observeert, wordt tot glunderen bewogen, ja, “lacht zich, lacht zich bijna krom”. wat een vitaliteit, wat een gedreven leven als zij aan het nestelen en de piep kleine kleintjes om de haverklap aan het voeden zijn.
en zij zijn mooi: “elk het -één duim, of drie quart/…van blauw laken,/ met ‘en lapken zwart- meezenfrakske, en/ ’t meezenmutsken aan.”
en “zij laten -zurkelende zoetjes,/ vijzevazend altijd even stout,/ bobbelender kelen,/ babbelend bargoens- hun tonge gaan”.
het is een aanstekelijke levendigheid, aanstekelijk levenslustig vreugdevol te mogen leven beamend beleven van leven. “’k Zie ze geren spelen,/ -Hoort ze vijzevazen- ‘k hoor ze geren ‘s noens,…”. een niet mis te verstaan beamen van mógen kunnen en kùnnen mogen leven, er zijn. de meesjes bevestigen, beamen én beAmen “als vanzelf, van binnen uit, gewoon door er levendig levenslustig leven makend levend te zijn: dat léven “goed” is. een uit zijn dichterlijk bewogen dichten van de door hem intens aandachtig beluisterde, bekeken en getaste dingen der natuur blijkend aan gezelle “als vanzelf, van binnen uit, eigen onverpoosd onverdroten bevestigen, beamen en beAmen van het “goed” zijn van het leven van al dat leeft. bóven dien bevestigen en beamen vandit “goed” zijn als het werk van GODS hand.
hij had zijn “kwade dagen”, zijn “tranen” in dit tranendal, zijn “weemoed” om “en, wangedrochtig groot, in ’t donker gers, voortaan/ zie ‘k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.”. hij had zijn nood aan troost: “Oogentroost”; “o Leeksken licht”. zijn nood aan vrijheid: “o Dichtergeest, van al wat banden/ hebt gij mij, armen knecht verlost,…Gij Godlijk wezen doet mij leven/ waar menig andre sterven zou,…Gij zijt genezing, en de wonden,/ de diepe, o wondre, toen gij, teer,/ die hebt gevonden,/ getint en toegetast, zijn gave en zonder zeer; “Hangt nen trusch hem over ’t hoofd,/ van den leeuwerk,…eer gij hem de vrijheid rooft,/…gouden kevie,/ gouden kerker:/..liever vrij – als alle goed!”. zijn nood aan argeloosheid en onschuld, aan wilde en onvervalste pracht: “Geboren, arg- en schuldeloos,/…en, in den zonneschijn,/ al dat gij doet is blomme zijn!”.
maar. en tóch. en zie zijn “geren horen”, “geren zien”, “geren staan in ’t midden des velds”, “aanschouwt, mij hier en daar”. zijn “goede dagen” van vrolijkheid om de vrij en vrolijke “vrolijkheid” der dingen. der meesjes. een in hem door het God lijk wezen in ze her innerde en de “goedheid” van het leven beamende “mens lijke” vrolijkheid, waarvan de meesjes het teken afgeven en zó doende meteen tot vrolijkheid uitnodigen, tot op grond van het Uitzicht-op geloven in en vertrouwen op het leven op aarde.
zó als de “zwanen”, de “arenden”, de “nachtegalen”, de “leeuweriken”, tillen de “meesjes” naar hun, wijze op hun wijze schouwende en dichterlijke mensen op de hoogte van het geheim van al dat leeft, en helpen zij hen zich ervan bewust te worden dat dit geheim uiteindelijk GODS GEHEIM is, erin te geloven en ervan te leven.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
