|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
De schepping geschiedt. de aarde geschiedt. ook de mensen erop geschieden, dit is: verlopen, groeien, met veranderingen als gevolg van dien. veranderingen, die enerzijds een opbouw van iets nieuws en anderzijds een afbraak van het oude markeren, maar uiteindelijk op VOL wassen, voleinden gericht zijn. mensen neigen naar opbouw van den hun bewarend te bewerken gegeven “tuin”, en meteen naar eigen opbouw. naar beschaven, cultiveren. hun beschavingen doorheen de eeuwen zijn gekenmerkt door een merkwaardige uitwisseling tussen “stof” en “geest”. en zó hun culturen. zó hun -gesproken of geschreven- taal. mensen neigen naar door het beschaven ervan cultiveren, zeg maar humaniseren, van hun taal “in dienst van de mensen”. uit dér aard speelt dit cultiveren, op de wijze van verhoogde mens lijke communicatie elkaar samenwerpen, een belangrijke rol in den opbouw van hun wereld. in feite zijn de mensen erop aangewezen tot één taal te komen, één taal te spreken, zó dat zij, welke “technisch” andere taal zij ook spreken, “geest” lijk (pinksteren lijk) elkaars taal zouden verstaan.
het “vreemde” van een taal is nu: hoezeer zij in den tijd met den tijd uiterlijk (klinkend of letter lijk) evolueert, tóch blijft zij innerlijk (geest lijk) dezelfde, hetzelfde “middel” om de evolutie van denzelfden geest te articuleren. want taal is een vrucht van den geest. oud en nieuw zijn gedragen door denzelfden geest en moeten uit dér aard tegen dien achtergrond gezien worden opdat ze als concurrenten beschouwen en ze tegen elkaar uitspelen vermeden zouden worden. dit houdt in: wat in het oude (blijvend) goed is, bewaren; in het nieuwe alleen wat (blijvend) goed is, nastreven.
de oude woorden van een taal zijn eerbied waardig doordat zij in den oorsprong (roots) geworteld staan, origineel zijn en doorheen de eeuwen, zij het meestal in het verborgene, dien oorsprong, die originaliteit “bewaren”. zij waren een “vondst”, een vonk van creatieven geest, die én voor den “vinder” én voor zijn “publiek” een verrassing moet geweest zijn en voor altijd een verrassing blijft. met als gevolg van dien: zij “verouderen” niet, “verslijten” niet, zijn en blijven doordat zij voor den attenten luisteraar hun oorspronkelijke, “onbestoven” betekenis onverpoosd onverdroten uitstralen, in feite “altijd nieuw”. zó zijnde en zó doende zorgen zij in een nieuwen, maar tóch den ouden in kiem bewarenden, tijd voor heerlijke “opflakkeringen” van betekenis, die in een nieuwen tekst in de woorden hun oude betekenis laten oplichten en ze met hun originelen rijkdom verrijken. een paar voorbeelden. in ónzen tijd wordt het woord maarschalk verstaan als en gebruikt om een hogeren militairen rang aanteduiden. maar voor wie weet dat “maar” merrie, “schalk” knecht en het woord dus oorspronglijk “paardeknecht” be tekende, speelt die achtergrond mee en worden de huidige betekenis en meteen de hoogdravendheid van den “titel” gerelativeerd; zo krijgt ook het woord schalkaard meteen den bijklank van “aard van een knecht/slaaf”. omgekeerd betekende het woord wijf vroeger gewoon vrouw/echtgenote, verliest het woord voor die het nù hoort of leest zijn perjoratieven bijklank en wordt hij niet “geschokt” wanneer een koning zegde: “My wife and I…”. hetzelfde geldt voor de heer- en bekoorlijkheid van oud- (“Hebban olla voghala nestas hagunan…”) en middelnederlands (“ute minlijcken merkene.”). wie door zijn taalvorming met dezen “ouden” vorm van onze taal vertrouwd geworden is, of een dergelijk veranderingsproces herkend heeft en naar waarde schat, spreekt en schrijft uit der aard ànders, laat de oude betekenis in zijn nieuwen tekst doorklinken. met als veelal gevolg van dien dat hij, jammer genoeg, als “moeilijk” ervaren wordt. bovendien ontgaat den verborgen rijkdom van zijn woorden aan ongevormde, en meestal door den technischen “luister” der nieuwe, “moderne” en sterk door vreemde talen beïnvloede taal, behekste huidige lezers.
er is in de makers van het nieuwe een neiging om het oude als “al gezien”, als versleten en uit der aard niet langer ter zake te zien. voor hen is een woord een technisch product dat in een technischen tijd, waarin communicatie plaats heeft op grond van “nuttige” informatie doorspelen, welig tiert. mensen worden overspoeld door een stortvloed van technische door technici uitgevonden en ingevoerde termen, zelfs een overvloed van alleen door ingewijden verstane “afkortingen”. want “Time is money.”. zó als de omgang onder elkaar inderhaast tot “zakelijke” gesprekken beperkt wordt en uit der aard de warmte van menselijk contact verloren heeft, zo beroven de termen waarmee er “gesproken” wordt, het contact van de warmte van ware menselijkheid. nù nog aan een bankbediende (met een uitgestoken wijsvinger) zeggen: “Mijn geld, of uw leven!”, stuit de “zakelijken” voor de borst en is uit der aard, want tijd rovend, zo niet als infantiel ervaren, “uit den boze”. de tijd is cool commercieel en verdraagt geen warmte. gij moet al geluk hebben om nog “Goeden dag” te mogen zeggen en een met een (on commerciëlen) glimlach verrijkt wederwoord te krijgen. vertechnisering van het leven, en meteen de woorden, betekent den “dood” van de oorspronkelijk zo “levende” taal. dit nieuw verschijnsel “toont” on omwonden het verlies van den zin voor het geheim en het wonder, en als gevolg van dien van het dichterlijke én in het leven én in de taal. hoe hedendaags waar: “Van dichten comt mij clene bate.”. want óók van het wonder lijk verhaal van beatrijs. is het niet zó: dat de oude woorden in dat verhaal van toén nù nog altijd nieuw zijn, en dat de nieuwe woorden in het verhaal van "onze tijd" al oud, want aan de warmte voorbij- en uit der aard verloren gaand, al versleten zijn vóór ze geuit worden?
meer dan ooit zijn de dichterlijke dichtenden de bewaarders van den warmen, de medemensen vergeestelijkenden en meteen opvrolijkenden omgang. zij vernieuwen het oude en verouden het nieuwe. bewaren de oorspronkelijke éénheid van “lichaam en “ziel” in de mensen en van “letter” en “geest” in de woorden. zij tillen de mensen vader-/moederlijk van den platten “zakelijk materiëlen” grond op de hoogte van het (in de oude woorden bewaarde) geheim en van het (in de oude woorden met gevoel geladen, intelligent gedachte en fijnzinnig ver beelde) wonder lijke in het leven. zó als de bijbelse huisvader “halen zij uit hun schat oud en nieuw te voorschijn”.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
