|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Mensen zijn onder en anders dan alle andere wezens der Schepping wezens die kunnen spreken en dat ook doen. zij doen, als óók geestelijke wezens, stap voor stap horend, ziend en tastend, voelend, denkend over en verbeeldend levenservaring op en kunnen bovendien wat zij horen, zien en tasten, voelen, denken (over) of verbeelden door middel van tot woorden gevormde klanken uiten. woorden articuleren ervaringen van mensen. en als zij die woorden schrijven (optekenen), doen zij dat om die ervaringen te “bewaren” (doen blijven), onder de andere mensen te verspreiden en te lezen te geven, meetedelen.
doorheen het geschieden van de mensen op aarde hebben mensen ontelbare ervaringen opgedaan, verteld en opgetekend. die door het lezen van de geschreven ervaringen van anderen geleerde en zelf opgedane ervaringen zijn gewoon natuur lijk mede “de goede grond” voor het gewoon natuurlijk (naar het voorbeeld van den kiemenden, eerst groene halm, daarna aar, en daarna aar vol rijp graan wordenden graankorrel) VOL wassen van het leven. het is dus wijs woorden te leren lezen, te lezen, erover natedenken, het kaf van het koren te scheiden en het koren te roosteren en te eten om ervan te leven. dit is: eigen ervaringen aan die in de gelezen woorden uitgedrukte te toetsen, uit der aard te zuiveren, als “goed”, het leven bevorderend te bevestigen, ten nutte van anderen uittespreken of/en te schrijven. met als gevolg van dien: dat er niet alleen een bewondering waardige uitwisselling tussen eigen ervaringen en die van anderen, maar ook tussen eigen woorden en die van anderen plaats vindt. het ziet er op het eerste gezicht zo “vanzelfsprekend”, zo “gewoon” uit, maar in feite is het een in het geheim mens verborgen geborgen wonder. het wonder van de waarachtig-, GOD en mens waardigheid en waarde van het woord. het woord is een kostbaar geschenk, en meteen is het kunnen spreken of/en schrijven een voor de mensen bedachte en hun ter beschikking gestelde gave. geestelijke gave, die niet alleen het ook en bóven dien geest zijn van een mens bevestigt, maar ook als een opdacht gegeven is.
wie heeft leren luisteren en leren lezen wordt voetje voor voetje met een schat aan (op aan den lijve ondervonden en uit der aard reële, soliede, hoor-, zicht- en tastbare) levenswijsheid verrijkt en in staat gesteld het reilen en zeilen van wat er enerzijds in de geschiedenis der mensen gebeurd is en wat er in en rondom hem gebeurt naar waarde te beoordelen en zijn leven ernaar te richten. onverpoosd en onverdroten duiken er uit het geheugen woorden van anderen op waaraan wij het eigen denken, doen en dichten en dat van anderen ter bevordering van eigen leven kunnen toetsen en toetsen. woorden van anderen die meteen op grond van eigen ervaring bevestigd worden.
het geheim van het woord en van deze bewondering waardige uitwisseling van woorden is groter dan de mens, ouder dan de mens, den mens van in den beginne OORSPRONG lijk meegegeven. en meteen het geheim van het woord. het geheim van het woord is BEGIN én UITEINDE lijk het GEHEIM van GOD. “God sprak, en het was.”. een mens spreekt als door GOD uit klei geboetseerd en met Zijn Levensadem beademd “levend wezen” geheime lijk wonder lijk zó als GOD, “op Ons gelijkend”. hij spreekt en het is. hij noemt, dit is: schept identiteit. het woord is een naam, duidt een identiteit, de waarheid der dingen zó als zij zijn. naar ónze wijze op ónze wijze spreken/schrijven veronderstelt luisterend naar en gehoorzaam aan de waarheid der dingen zó als zij zijn en meteen luisterend naar en gehoorzaam aan ons leven spreken/schrijven. dàt is de GROND van dàt en hoe die uitwisseling in den vorm van een gesprek of een lectuur ons verrijkt, vergroot, meer nog dan vermeert verméért; de GROND van haar bewondering waardigheid. het woord is in wezen een vonk van het WOORD. het tilt uit dér aard de mensen op de hoogte van 10 meter bóven den platten grond, de hoogte waar het in de schepping, onder de mensen, die op aarde zijn inkluis, verborgen geborgen GEHEIM van GOD, Die in den hemel is, hoor-, zicht- en tastbaar, voel-, overdenk- en verbeeldbaar wordt. en meteen het geheim van het geheim mens en het geheim mensen onder elkaar. de uiteindelijke toetssteen der woorden van mensen is GODS WOORD: het ons vóór de voeten aan de voeten gelegd en aan de handen toevertrouwd door “de profeten” gesproken Woord en door “de leerlingen” opgetekend WOORD.
het woord van het WOORD openbaart het geheim van ons woord. het woord van het WOORD is een dubbel zinnig, dit is een met den geest van GODS heiligen GEEST verrijkte “letter”, te zélfder tijd mens én GOD lijk, ons bestaan op aarde én ons bestaan in den hemel ver- en doen opklarend woord. het laat voortdurend via “aards” bestaan het “hemelse” doorschemeren. met als gevolg van Dien: dat het lezen betekent: via de “letter” den “geest”, die van GODS Heiligen GEEST is, in zich laten oplichten. “wat er geschreven staat” staat onderhuids in het bovenhuidse geschreven. staat er onderhuids, in het verborgene, als tweede “bodem” onder den eersten. uit dér aard is “wat er geschreven staat” lezen “spitten” (digging: den in den akker verborgen SCHAT opdelven), intens aandachtig helemaal aanwezig naar den “bijklank” luisteren om hem te HOREN en zich uit dér aard van de zich in Zijn woord openbarende reële, VOLLE realiteit bewust te worden. wat er in den “lezer” gebeurt, is niet in louter mens lijke (“letter” lijke) en door de mensen, als louter mens lijk, ”letter” lijk te lezen en gelezen woorden uittedrukken. zijn luisteren naar wordt opgetild tot ZIEN en maakt hem tot een ZIENER: een op een “spitsmoment” tot het geheim doordringenden mysticus, een het TEKEN in de tekens zienden dichterlijken. de taal van “wat er geschreven staat” is een mystieke, een dichterlijke taal, die het “hier is er méér”, het GOD lijke bloot geeft.
de SCHRIFT is de natuur lijke plaats waar óns door “de profeten” en “de leerlingen” opgetekend woord van gedaante veràndert en als wezen lijk in staat het méér (op Ons gelijkend, gelijkend op het WOORD) te “vormen”, te articuleren, te voorschijn komt. Zij nodigt den lezer uit en helpt hem intezien dat de reële waarde van ons woord bepaald wordt door zijn als een in de morgenzon schitterende dauwdropdiamant zijn. het “vreemde” van ons woord is: dat het schittert. het is wezen lijk open. wat niet betekent dat men willekeurig alle kanten ermee uit kan, maar dat het een rationeel/rationalistisch inperken, uitsluiten van emotie, visies en door middel van openbaren van tekens ver beelden en opsluiten in zichzelf weigert en meer, in feite het méér van de VOLLE realiteit van ons bestaan binnen de VOLLE realiteit van al wat bestaat überhaupt te horen, zien en tasten geeft. de dichterlijkheid der dingen een naam gevend, is ons woord wezen lijk, geheime lijk wonder lijk, dichterlijk. met als gevolg van dien: dat het lezen bekwaamheid om dit dichterlijke in het woord te horen, zien en tasten vereist; dat de lezer zelf een dichterlijk, een door de dichterlijkheid der dingen geraakt “levend wezen” moet zijn. en precies dààr nijpt het schoentje in een “beschaving” en een “cultuur” (“den herberg met het hoefijzer en het volle vat”) die elken zin, elke gevoeligheid voor dit dichterlijke voor een louter liberaal rationalistisch individualistische levensbeschouwing en levenspraktijk heeft prijsgegeven. dit is: een levensbeschouwing en -praktijk die “de HEMEL” zakelijk als niet “ter zake” heeft laten vallen en zich, op de wijze van “Verover de aarde!”, alleen op “de aarde” concentreert. in een dergelijke levensbeschouwing en -praktijk is er voor het ons aan alle kanten omringende dichterliijke, dit is voor de tekens in de dingen die met TEKENwaarde verrijkt zijn, en de tekens afgevende woorden ervoor, geen plaats. erger nog: men bestudeert de SCHRIFT technisch wetenschappelijk, en “vergeet” Haar te “lezen”. meer nog: men heeft, vooruitgaand achteruitgaand, de bekwaamheid om Haar te “lezen” verloren en is on-, onder- of bewust naar een den mens onterend analfabetisme teruggekeerd.
de adel, eenvoud, stille grootte van de SCHRIFT is het fundament en “toont” meteen den adel, eenvoud, stille grootte van ons woord. herstelt de dichterlijkheid der dingen en van ons woord in eer. en uit der aard is het dwaas dien ons beminnelijk menslievend vóór de voeten aan de voeten gelegde en aan onze handen toevertrouwden adel, dien eenvoud, die stille grootte verder te gaan zoeken, laat staan té ver.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
