|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
De Schrift is een zorgvuldig in vele facetten geslepen diamant en schittert uit dér aard in het Licht dat de Heilige GEEST erop werpt. er staat in de Schrift wat er dààr door door GODS GEEST geïnspireerde mensen naar ónze wijze op ónze wijze voor óns “geschreven” werd en staat. Haar geheim is niet de “letter” maar de “geest”, die van den Heiligen GEEST is. met als gevolg van DIEN: dat de Schrift lezen gelijkt op hoe rut uit en in den eenvoud van het hart onbeschaamd en onbeschroomd de aren op het veld van boöz en achter de maaiers “las”: zij boog zich voor het aanbod van boöz, boog zich voorover over het veld, raapte zorgvuldig de aren op om het graan erin te roosteren en te eten om ervan te leven. en deze “anecdote” is al meteen, zó als en samen met de vele andere, een schitterend voorbeeld van dàt en hoé wat er dààr “letter” lijk geschreven staat niet alleen (bij voorbeeld literair) “geest” lijk, maar óók en bóven dien GEEST lijk schittert. wie zich vastklampt aan de “letter”, en zelfs wie zich vastklampt aan den “geest”, mist den GEEST en meteen waar het uteindelijk om gaat: niét wat mensen, maar wat GOD aan de mensen te zeggen heeft en zegt. de Schrift is het woord van GOD aan en voor de mensen, en meteen de unieke BRON van levensinzicht (wijsheid als Licht) en levensbeleving (deugd als Kracht).
de KERN van de Schrift is het verhaal van jezus van nazareth de CHRISTUS, en de Kern van dit verhaal is Zijn verrijzenis. hiérop lopen alle verhalen uit en hiérin lopen zij alle tot een onverdeeld en onverdeelbaar geheel, de blijde boodschap van GOD, Die in den hemel is, aan de mensen, die op aarde zijn, samen. dié KERN is het breekpunt waar de enen versterkt en ongebroken verder gaan en de anderen breken en terugvallen. de verrijzenis is GODS GEHEIM, en meteen geloofsgeheim voor de mensen, dat geheime lijk wonder lijk door den Heiligen GEEST aan de mensen “geleerd en herinnerd wordt”. erin geloven vereist in een mens een vreemde welwilendheid ertegenover en een tedere toegankelijkheid ervoor, een diep innerlijke houding van openheid bij GODS genade (“uit Zijn VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere”) voor wat “de leerlingen” over jezus’ verrijzenis in den vorm van verrschijningsverhalen optekenden. de rijkdom van die verhalen is een uniek geschenk voor die ze altijd weer onverpoosd onverdroten intens aandachtig, in feite biddend lezen. zij verbazen, “verbijsteren” het verstand, spetteren van hoogst poëtische de rede op het verkeerde been zettende “shots” en boeien de voor tekens afgevende articulatie gevoelige toehoorders/lezers. hiér blijkt bóven al dàt en hoe de Schrift zich hoogst poëtisch, “in gelijkenissen sprekend”, tekens-met-TEKENwaarde afgevend, aandient, uit dér aard fijn gevoelig, het rationeel denken OPtillend en de ver beelding tot ver beelden in staat zijn vergrotend werkt en meteen schouwenden en dichterlijken boeit. zij tillen dichterlijken tot GODS GEHEIM schouwenden op.
het begint met dat “lege graf”.
“Zij vonden de steen opzij gerold; en toen zij er in waren gegaan,
vonden zij het lichaam van de Heer Jezus niet. (Luc. 24/2-3).
dat “lege graf” bracht de, zo mens lijk, nuchtere vrouwen (zij willen jezus’ lichaam balsemen, dit is “bewaren”) en de, zo mens lijk, de kluts kwijt zijnde, in het nauw gebrachte, zo niet ontredderde leerlingen (de Heer is dood en begraven, én zij verschuilen zich uit angst voor de joden), helemaal in de war.
“Zij (twee engelen) zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zei hun:
Omdat men mijn Heer heeft weggenomen en ik niet weet waar men Hem
heeft neergelegd.” (Joh. 20/13).
“Daarop zijn sommigen van ons naar het graf gegaan en hebben alles
bevonden zoals de vrouwen het hadden verteld, maar Hemzelf
hebben zij niet gezien.” (Luc. 24/24).
jezus’ leerlingen werden brutaal met “la condition humaine” geconfronteerd en waren (nog) niet in staat wat hun dwong hun ogen niet te geloven door te geloven in “wat Ik u -o.a. over Zijn opstaan uit den dood: “Breek deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem weer opbouwen.”- heb gezegd” te geloven. zie hoe “de leerlingen van emmaüs” ontgoocheld jeruzalem den rug toekeerden. wat bleef er, mens lijk gezien en zij waren toch ook maar mensen, van hun droom over? hoe zouden wij zelf zijn, en, inderdaad, hoe zijn wij, mens lijk, zelf? àlles bleek plots niéts te zijn. tot…daar even plots dat “lege” graf is. óók niet terstond begrepen, maar in feite voor hen het zichtbaar teken van: “dat er hiér méér is”. bovendien was er daar een engel des Heren (Matt.), een jongeling in een wit gewaad (Marc.), waren er daar de in schitterend gewaad geklede mannen (Luc.). en meteen trekken de evangelisten het feit van het mens lijke (jezus van nazareth) naar het GOD lijke (de Zoon van God) open en OP.
“Wat zoekt gij de Levende bij de doden? Hier Hij is niet; Hij is verrezen.
Herinnert u wat Hij tot u gezegd heeft, toen Hij nog in Galilea was: de
Mensenzoon moet in de handen van zondaars worden overgeleverd en
gekruisigd; maar de derde dag zal Hij verrijzen. ‘Luc. 24/5-7).
al “hadden zij Hemelf (nog) niet gezien”, toch geloofden zij, zo als johannes op gezag van wat hij “zag” (“En nu hij het zag, geloofde hij ook.”). zó bevestigt johannes dat, mede op grond van de aanwezigheid van “de Engel des Heren” en den “lerenden en her innerenden Heiligen GEEST’, reeds het “zien” van het lege graf en de manier waarop het lijnwaad en de zweetdoek daar lagen hen van hun mens lijk ervaren naar bóven mens lijk geloven in wat er over Hem in de Schrift geschreven staat en wat Hij Zelf had gezegd OP tilde. zó “kwam jezus hen hier andermaal tegemoet” en maakte hij hen gereed om “Hem te zien”.
Hij “verschijnt” als “de Levende, Die niet bij de doden gezocht moet worden”. verschijnt geheime lijk wonder lijk als een tuinman (Joh.), een medereiziger (Luc.), een man aan den oever (Joh.), een “spook” (Luc.); mens lijk/geest lijk: een schitterend beeld van de bewondering waardige uitwisseling tussen de wijze van de mensen, die op aarde zijn, en de wijze van GOD, Die in den hemel is; en meteen bevestiging van het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van “aarde” en “HEMEL”; van GODS naar ónze wijze op ónze wijze hoor-, zicht- en tastbare blijvende aanwezigheid onder, in, met en voor ons. “de leerlingen” krijgen Hem te zien en worden meteen “de eerste ooggetuigen” van jezus’ verrijzenis, van Zijn GEHEIM. al wat aan de verrijzenis voorafging, wordt meteen door die verrijzenis naar die verrijzenis OP getrokken, vervuld en met Zijn VOLHEID verVOLd. àlles wordt Licht, wordt ZIN, wordt REDDING, wordt HEIL: de dood is door het alle tranen uit de ogen wegwissend LEVEN overwonnen. geen mens is onder de doden te zoeken; het graf is “leeg”. jezus is “zó iets”, een de louter “aardse” werkelijkheid overstijgende en die zich daaraan vastklampen zonder aanzien des persoons uitdagende Werkelijkheid. er zijn er die om de een of andere reden niet langer ernaar kunnen luisteren, het verwerpen, zelfs als leugen en bedrog en uit der aard mensonwaardig voorstellen en van Hem weggaan. in wezen is het een “beproeving”, een uitdaging die tot de keuze tussen bij Hem blijven of van Hem weg gaan dwingt, en die meteen toont wie men is. maar aan die, niettegenstaande de schijnbaar netelige omstandigheden, in den tuin op zoek gaan, ontgoocheld naar emmaüs afdalen, angstig in de zaal afwachten of weer in galilea gaan vissen, verschijnt Hij “in levenden lijve”: mét de wonden van zijn dood, met hen meelopend en het avondmaal delend, met hen etend en hun een wonderlijke visvangst (“152 grote vissen”) bezorgend. en het is waar zó als en omdat Hij de WAARHEID is, en uit dér aard als dusdanig opgetekend, “geschreven”.
dàt IS wat “de leerlingen” hebben opgetekend, wat er dààr “geschreven” staat. door jezus’ lijden, dood en verrijzenis wordt het paradijs herwonnen, voor de mensen weer geopend en kunnen zij, if they care and are lucky, hiér en nù al OORSPRONG lijk weer ernaar terugkeren en UITEINDE lijk “eeuwig” leven (“zijn waar Ik ben”). het allergrootste geloofsgeheim voor de mensen op aarde, dat GOD de VADER hun beminnelijk menslievend via den LEVENDEN ZOON én den Hém lerenden en in herinnering brengenden Heiligen GEEST te “lezen” (zich ervoor bukkend opterapen, te roosteren en ten leven ervan te eten) geeft. zó dat de mens die ervoor, voor “zó iets” open staat, zó als “de leerlingen”, bóven de mens lijke ontgoocheling om, zo niet ontreddering door lijden en dood, wordt uit en OP getild; hoe sterfelijk en stervend ook, maar, en tóch, en zie: lééft. het staat, onuitwisbaar, als door GODS vinger in stenen tafels gegrift, “geschreven” en is óns, niet als geschiedenis, of als filosofische bespiegeling, of culturele erfenis, of als literatuur, maar als een dit alles onvoorstelbaar en rationeel onbegrijpbaar oneindig ver overtreffend geloofsgeheim.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
