|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
De mens wordt, en uit der aard worden de mensen door de mensen als, in tegenstelling tot de dingen, met rede/verstand begaafde wezens beschouwd. in feite zijn zij voor een verfijnden waarnemer met een hen tot aanvoelen van, denken over en verbeelden bekwaam makenden geest verrijkte horende, ziende en tastende lichamen. een mens wordt zich geleidelijk bewust van het bestaan van hem omringende dingen en mensen en, if he cares and is lucky bóven dien, van het bestaan van een GOD, SCHEPPER van hemel en aarde. meer nog, méér: hij wordt zich geleidelijk bewust van het geheim van het bestaan der dingen der schepping, het geheim van het bestaan der door die dingen omringde mensen, het geheim van het bestaan van die dingen en mensen makenden GOD. dit is: van wat zijn horen, zien en tasten, zijn aanvoelen van, denken en verbeelden overtreft. het geheim van zijn geest is zijn bekwaamheid zich van deze geheimen bewust te worden en ze als zijn bestaan verrijkende werkelijkheden te schouwen en be leven. die geheimen helpen hem van den platten grond overeind en zich verheffen tot de hoogte van 10 meter er boven, de hoogte van “quae sursum sunt”, van de reële waarheid der werkelijkheid: deVOLheid van het VISIOEN van de onverdeelde en onverdeelbare éénheid van “HEMEL” en “aarde”. dié VOLheid verschijnt voor hem als het aanvoelend hart, het denkend over verstand en de ver beeldende verbeelding in evenwicht zijn, met elkaar harmoniëren en constructief/creatief samenwerken. deze gaven zijn in feite een weerspiegeling van GODS uit en in Zijn VOLHEID het onze ver overtreffende vermogen: met het hart er bij te zijn, redelijk te denken en ver beeldend te verbeelden. met als gevolg van Dien dat ónze gaven meer zijn dan louter mens lijk, méér, dit is: onverpoosd onverdroten naar GODS vermogen verwijzen, een teken ervan zijn. in feite zijn zij op ONS gelijkende krachten, GOD lijke deugden (virtutes)
het hart is gevoelig, wordt door de belevenissen be-, ge- en ontroerd en in beweging gebracht. het is, als OORSPRONG lijk “goed”, de zetel van een geestelijke kracht die, als de mens met het hart bij die belevenissen is, de waarheid geheime lijk wonder lijk, intuïtief, “als vanzelf”, ongevangen onbevangen doet aanvoelen en behoedt voor “dwalingen”, “afwijkingen”, al te subjectief gestuurde en gerichte “gevoeligheden” die de harmonie met het denken over en ver beelden in gevaar brengen, zo niet beschadigen. die beheerste, in evenwicht gehouden kracht (virtus=deugd) is een vreemd, dit is van het werken van de rede en de verbeelding onderscheiden maar niet gescheiden, soort “zien”, dat een verrijking van het zien van de rede en de verbeelding betekent. zij is liefde. al zegt de volksmond dat liefde verblindt (een liefde die verblindt, is een valse liefde.), tóch verheldert zij integendeel het inzicht in de waarheid der werkelijkheid. authentieke liefde doet juist zien, is uit der aard een toetssteen voor en bevordert en schraagt de harmonie met het zien van het denken over en de verbeelding. de kracht van de liefde overwint “het eren met de lippen”, dat een teken is van “het ver zijn van Mij”. met het hart erbij zijn doet juist zien.
de rede kan verloren lopen in abstract, van horen, zien en tasten losgemaakt redeneren. de kracht van de rede is haar vermogen om te denken over wat gehoord, gezien en getast, gevoeld en verbeeld wordt. deze gave van denken over wat ons vóór de voeten aan de voeten gelegd is en meteen aan de handen toevertrouwd, is OORSPRONG lijk gericht op de waarheid der werkelijkheid (inzicht in), die het mogelijk maakt naar die waarheid te leven (praxis). het verstand goed gebruiken, dit is zó als het den Gever van die gave behaagt en het uit dér aard een mens hoort, resulteert in verstaan, en uit en in dit verstaan in juist spreken (dichten) en juist handelen (doen) . wat betekent: als redelijk wezen redelijk voelen, redelijk verbeelden, redelijk spreken en redelijk doen. zó doende is de rede zó als de bewogenheid van het hart een toetssteen voor het denken over en verbeelden is, op haar beurt een toetssteen voor en bevordert en schraagt zij voelen en verbeelden.
de verbeelding kan verloren lopen in wild fantaseren. de kracht van de verbeelding stoelt op de waarheid van de ons omringende en ons te horen, zien en tasten gegeven werkelijkheid. haar vrucht is geen fictie of willekeurige fantasietjes, maar een naar haar wijze op haar wijze “openbaren” van de werkelijkheid. de natuur lijke plaats van de verbeelding is de dichterlijkheid der dingen, dàt en hoé zij tekens afgeven van. uit dér aard is de verbeelding het vermogen de tekens in de dingen te zien én te ver beelden, de dingen in hun VOLheid van “stof” én “geest”, van door “geest” tot leven gewekte “letter”, te laten verschijnen. harmoniërend met hart en rede is haar wijze van zien een toetssteen voor de bewogenheid van het hart en de gedachten van het denken over, schraagt zij ze en bevordert ze uit schouwen van het geheim van de bewogenheid van het hart (“Brandde ons hart niet toen…”), schouwen van het geheim van gedachten over (“L’homme est un roseau…”) dichterlijk. de beelden van de beeld spraak belichten niet alleen op een verrassende wijze de waarheid der dingen, maar zij zijn bovendien onverslijtbaar vers (onbestoft) groen, altijd en overal helemaal blinkend blozend levenlustig levendig levend, als een wilde en onvervalste pracht schoon (splendor veritatis). in feite “een brandend en tóch niet opbrandend braambos, waaruit voor die dit wonder schouwspel vanuit de verte ziet en erdoor geboeid nadert om scherper toetekijken, een STEM opklinkt Die hem bij name noemt, toe- en aanspreekt.”. de verbeelding is het geheim van den in het midden van het veld in de diepte van den hemel schouwenden mens, den dichterlijken dichtenden. zij VOLtooit in hem de bewogenheid van het hart en het denken over van het verstand, den uitroep en het begrip.
waar ontroering, intelligentie en verbeelding onverdeeld samenwerken, verschijnt het geheim van de geheimen als in een schijnwerper en geeft zich bloot. die samenwerking tilt den mens boven den platten grond op de hoogte waar het mysterie der schepping in ’t algemeen, van de aarde, met al wat en wie er op is inkluis, in ’t bijzonder en van den SCHEPPER ervan zich, zij het voorlopig voor de mensen enigszins, “openbaart”. dit is: het hart raakt en ontroert, het verstand de redelijkheid ervan helpt inzien en bewonderen, en de verbeelding de tekens die het afgeeft doet zien en in gelijkenissen-uit-gelijkenis spreken. het mysterie is de natuur lijke plaats van de Waarheid der werkelijkheid, van het Leven van al dat leeft en van den Weg die het moet volgen. in feite is het mysterie het VISIOEN van de onverdeelde onverdeelbare éénheid van “aarde” en “HEMEL”. uit dér aard is het “de goede grond” waarin een mens kan kiemen en geleidlijk geleidelijk VOL wassen. het hart ervaart het mysterie als (goeddoend, bevrijdend, opvrolijkend en bevredigend) “goed”; het verstand als redelijk en uit der aard waar; de verbeelding als het bestaan met schoonheid verrijkend schoon. het geheim van den schouwenden, den dichterlijken dichtenden, is zijn hem beminnelijk menslievend gegeven inzicht in de harmonie tussen en de noodzaak van de samenwerking van hart, verstand en verbeelding ten leven. een inzicht-in, dat geheime lijk wonder lijk met Uitzicht-op verrijkt is.
de feitelijke ondoorgrondbaarheid van het mysterie, dat wezen lijk het GEHEIM is van GOD, Die in den hemel is, wordt door GOD voor de mensen, die op aaarde zijn, “gemilderd” door Zijn booms en bijbels “openbaren” ervan, Zijn “spreken in gelijkenissen”. de tekens in de dingen der schepping enerzijds en anderzijds in het Woord en het WOORD verwijzen naar GOD den VADER SCHEPPER, GOD den ZOON VERLOSSER en GOD den Heiligen GEEST VOLTOOIER en zijn uit dér aard met TEKENwaarde verrijkte tekens. het geheim van de kracht van het “spreken in gelijkenissen” is: dat het het wezen van GOD, van den mens en de dingen “openbaart” op de wijze van ver beelden. dit is: dat schijnbaar abstracte wezen voor de mensen naar hun wijze op hun wijze aanschouwelijk voorstelt. te “schouwen” geeft. zie: de parabel (“gelijkenis”) van den minzamen vader en zijn verloren zoon; “Ik ben een blomme en…/ ik! arme, kranke, klagend riet!/ Ik ben de hazelnoot…”; “De slang was het sluwste van alle dieren in het wild, die Jahweh God had gemaakt. Zij sprak tot de vrouw:…”. de “gelijkenis” grondt in de dichterlijkheid der dingen, in het feit dat de materie in ze “geest” uitstraalt. uit dér aard opent de “gelijkenis” op grond van gelijkenis, verwijzend naar, de ogen voor den “geest”. geen mens heeft GOD ooit gezien, maar minzame vaders wel. zó “openbaart” de “gelijkenis” via den minzamen vader de minzaamheid van GOD tegenover Zijn “verloren gelopen zonen” (die alle mensen toch, in mindere of meerdere mate, zijn). een (“goede” of “boze”) vader is niet alleen een biologisch fenomeen. hij is bovendien, en bóven dien, een met TEKENwaarde verrijkt teken hetzij van den “goeden geest” van den samenwerpenden, verzamelenden GOD of van den “bozen geest” van den uiteenwerpenden, verstrooiende uiteenwerper. de “gelijkenis” is geen fictie, geen spelletje van een losgeslagen verbeelding, maar zij “toont” op een schitterende, intrigerende en boeiende wijze de hele waarheid (den band en het verbond tussen “stof/aarde” en “geest/HEMEL”) van de werkelijkheid. GOD is een minzame VADER; gezelle doet, in het geweldig zonnelicht bloeiend, des morgens open, des avonds toe zijn blad; van de woestijne ziet zichzelf als de hafweggevreten hazelnoot, die precies daardoor ruimte krijgt om te zingen; de slang is, niet louter biologisch maar dichterlijk gezien, sluw, werpt “boos” uiteen. die tekens zijn legio, óns mensen, die op aarde zijn, overvloedig vóór en aan de voeten gelegd, én…aan de handen toevertrouwd.
het hart is uit zijn aard “gevoelig”, beweeg lijk en beweeg zaam. een deugd (virtus) die deugd doet. die het “op de juiste plaats heeft”, wordt als vanzelf door de gedachten van den denkenden over geraakt, ontroerd, en gaat als vanzelf akkoord met wat de tekens in de hem omringende dingen openbaren. “Ik zie zoo geren…de wilde en onvervalschte pracht der blommen langs den watergracht…dat gij mij bidden doet en wezen zoo ik wezen moet:”. en zó meer, en zó meer. het blijft als vanzelf in harmonie met de gedachten en de tekens.
het verstand is de gave om, denkend over, het gehoorde, geziene, getaste te verstaan als “verbonden”, logisch, als een werkelijkheid op zijn natuur lijke en uit der aard juiste plaats in het geheel der werkelijkheid. en als het “intellectueel eerlijk” is, vermoedt het in/achter de “stof” het (geest lijk) meer dan, en, bóven dien, het GEEST lijk méér: de hand van den SCHEPPER ervan. dit uit met het hart er bij zijn geboren vermoeden behoedt het voor een dodelijk analyseren, dodelijk experimenteren, in den greep geraken van nut, materiële of geestelijke greed, die het van zijn OORSPRONG lijke opdracht af en naar zichzelf leidt, naar het zich meester maken van, het “veroveren der aarde”. dàn wordt de rede onredelijk. om dit te voorkomen moet het verstand “verlicht” worden. “Spiritus Sancti gratia illuminet sensus et corda nostra. Amen.”. dàt was het gebed van “wetenschappers” aan de leuvense universiteit, waarmee zij deemoedig uitdrukten dat het vinden én de openbaring van het méér in de dingen het werk is van GODS Heiligen GEEST in den op weten (de waarheid van de werkelijkheid) uitzijnden mens. het verstand van een echten wetenschapper zoekt, door het vóór zijn zoekende ogen verschijnend wonder der dingen bewogen, contact én harmonie met het door het wonder bewogen hart.
ook de verbeelding grijpt, als “Dritte im Bund”, in en helpt een handje. zij is de deugd (virtus) die de dichterlijkheid der dingen, de met TEKENwaarde verrijkte tekens in ze, doet zien en uit dér aard den “geest” in de “stof” ontdekt en vrij maakt. zij helpt het hart juist bewegen en het verstand juist zien. zij is niet tegen de rede, zoals die haar gewoon als bron van fictie, willekeurige fantasietjes en fabels en uit der aard onbetrouwbare gegevens beschouwen, beweren. integendeel, zij is een eigen wijze van “zien”, die het haar mogelijk maakt tot den in de “letter” verborgen geborgen “geest” en meteen zijn de VOLheid der werkelijkheid verkondigende boodschap doortedringen. zij verVOLt het zoeken van de rede doordat zij de aandacht vestigt op het onlosmakelijk ingeschakeld zijn van de delen van de werkelijkheid in het geheel van de werkelijkheid, dat in feite het GEHEEL is, dat in zijn VOLHEID in het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van “aarde” en “HEMEL” te voorschijn komt. zij dwingt het verstand boven zich uitteklimmen, aan zijn neiging tot kritisch analyseren (uitpluizen van Pluizer) en eventueel rücksichtslos experimenteren momenteel te weerstaan en in simplicitate cordis in het teken te geloven. en, inderdaad, de verbeelding opent, als de werkelijkheid (het geheim van het brandend braambos) schouwend/mystiek benaderend om scherper toetekijken, den weg naar geloven. zij is bereid naar de “gelijkenissen-uit-gelijkenis” te luisteren en uit der aard “de goede grond” voor het luisteren naar en geloven in de boomse en bijbelse Zelfopenbaring van GOD via Zijn Schepping en Zijn Woord/WOORD.
GOD, Die in den hemel is, openbaart Zich aan de mensen, die op aarde zijn, via de in de SCHRIFT opgetekende en aan de mensen te “lezen” gegeven geloofsgeheimen hartelijk, redelijk en tekenlijk. die geheimen druisen geenszins in tegen het diepste verlangen van het hart naar vrijheid, vreugde en vrede, noch tegen het verlangen van de rede naar in de waarheid der werkelijkheid gewortelde redelijkheid, noch tegen de naar tekens reikhalzende verbeelding. integendeel: de geloofsgeheimen vervullen geheime lijk wonder lijk hartelijk, redelijk en in tekens die verlangens door ze optetillen op de hoogte van de Waarheid, en meteen het Leven en den Weg: de de mensen bevrijdende, bevreugdende en bevredigende VOLHEID van de werkelijkheid van een door “den HEMEL” opgehemelde “aarde”, de mensen als beADEMde en naar dien ADEM snakkende klei inbegrepen. de in de geloofsgeheimen gelovende, naar ze luisterende en ze volgende mens is, naar de gezindheid die eigen was en is aan jezus CHRISTUS, hoogst en diepst, langst en breedst hartelijk, redelijk en verbeeldend vindingrijk. er is in hem geen spanning tussen hart, verstand en verbeelding omdat zij “uit Zijn VOLHEID ontvangend de ene genade na de andere” onverdeeld bevrijd vrij, opgevrolijkt vrolijk en bevredigd te vreden in harmonie in hem verzameld zijn en in harmonie samenwerken.
dàt is het geheim van den gelovenden (dichterlijk/mystiek) in het midden van het veld (“de aarde”) in de diepte van den hemel (“den HEMEL”) schouwenden mens op aarde. AMEN. amen, en daarmee uit.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
