|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Men heeft gelovende mensen rabiaat en schaamteloos als naïeve, wereldvreemde, onrealistische een in den vorm van door machtsgeile bedriegers de wereld ingestuurde fabels een “droom” achternalopende “dromers” bestempeld, die niet alleen niet van den tijd zijn, maar bovendien den door wetenschap en techniek verwezenlijkten veruitgang in den weg staan en dus geweerd, ja uitgeschakeld moeten worden. “A bas, la calotte!”. die onredelijke weerbarstigheid en weerstand is zo oud als de straat en drukte zich, en drukt zich nog, het sterkst uit in de woorden van diegenen die zegden, en nog zeggen: “Wie kan nog langer naar zó iets luisteren!”. dit “zó iets” bleek, en blijkt, radicaal intedruisen tegen bepaaalde “gevoeligheden”, bepaalde “ideeën”, bepaalde “inbeeldingen” van mensen, die op aarde zijn en humaan, intellectueel eerlijk en politiek correct ongenuanceerd onvoorwaardelijk voor het “aardse” kiezen en zich ervoor inzetten. in GOD geloven en zijn leven op onhoor-, onzicht- en ontastbare geloofsgeheimen grondvesten, is onredelijk, en uit der aard onmenswaardig, zo niet onmenselijk. basta.
in feite zijn een dergelijke ideologie en het handelen ernaar (ethiek) het gevolg van een door wisselvallige gevoeligheden, onredelijke ideeën en losgeslagen fantasietjes misleid irreëel GODS-, mens- en natuurbeeld. voor who care and are lucky, dit is die het hart op de juiste plaats hebben, enerzijds hun verstand eerlijk gebruiken, anderzijds erkennen dat er dingen zijn die het denken te boven gaan en het licht zoeken bij de dingen die van bóven zijn, en hun verbeelding openstellen voor de in de werkelijkheid alom tegenwoordige tekens, verschijnt het beeld van GOD, van den mens en de dingen der schepping in het licht van Diengenen van Wie “geschreven staat: “En het Leven was het Licht der mensen.” (Joh. 1/4); “Deum de Deo, Lumen de Lumine”.
de dingen van de schepping verschijnen in dit Licht als het werk van den SCHEPPER en verwijzen zó als een kunstwerk naar den kunstenaar verwijst, naar Hem. zij dragen een geheim in zich dat een vonk van GODS GEHEIM is. als dusdanig is de “stof” in ze verrijkt met “geest” lijke tekens en geven zij “als vanzelf” die tekens af aan die ze naderen om scherper te zien. zij “verkondigen” GOD: “Caeli et terra ennarrant gloriam Dei.”. het is een geloofsgeheim dat de dingen der schepping de mensen vóór de voeten aan de voeten gelegd en aan hun handen toevertrouwd en uit dér aard de natuur lijke plaats, omgeving en omstandigheden zijn voor de mensen ten leven. in feite zijn zij de mensen in leen gegeven, ten gebruike en niet om zich meester van ze te maken. zich van ze meester maken, met ze doen wat men wil, is niet van den “goeden” geest, maar van den “bozen” geest, die lijn recht indruist tegen het OORSPRONG lijk plan, de orde verstoort (uiteenwerpt) en de aarde met al wat en wie er op is, beschadigt, zo niet afbreekt. de dingen respecteren, ze laten zijn wat zij zijn, ze behoeden en bevorderen op de wijze van de bijbelse opdracht “de tuin bewarend te bewerken”, zijn fundamentele gegevens van den leefregel der mensen en belichten den dieperen (reëel intellectueel eerlijken en politiek correcten) zin van de door de “groenen” gelanceerde leuzen: “Eerbied voor de schepping!/ Eerbied voor de natuur!”/ Eerbied voor de aarde!”. de VOLheid van het natuurbeeld grondt in het geloofsgeheim van de Schepping en toont zich aan die met het hart bij de dingen zijn, intens aandachtig en op een af stand over ze denken en het geluk hebben uit en in dichterlijk schouwen de tekens in ze te zien en te ver beelden.
de mens is met zorg geboetseerde en met liefde ten leven beADEMde klei, “naar Ons beeld en gelijkenis” gemaakt. uit dér aard is het mensbeeld een afstraling van het GODSbeeld, een geloofsgeheim. ”Es waltet ein Gott in uns.” (Hölderlin); met een kleine correctie: “Seul l’Esprit, s’il souffle sur la gleise, peut créer l’homme.” (a. de Saint-Supéry). de ADEM van den SCHEPPER (SPIRITUS) “blies” den mens de hem eigen, hem tot mens makende “geest” lijke gaven van gevoeligheid voor (sensibiliteit), nadenken/denken over en verbeelden in, “inspireerde” hem en blijft hem inspireren. en precies dàt, dat deelhebben en uit der aard mógen kunnen deelnemen aan den GEEST van GOD, is het geheim van den mens. het brengt hem van den platten grond overeind en port hem aan zich ervan aftezetten, de vleugels uitteslaan en te vliegen. dit is: de hem neerdrukkende zwaartekracht van zijn “stoflijk” bestaan op aarde te doorbreken en dit bestaan te verrijken met den hem optillenden “goeden” geest, die van GODS Heiligen GEEST is. den mens beperken tot “lichaam”, hoe mooi dan ook, tot een binnen de evolutie buiten het inspireren van GODS GEEST ontstanen veredelden biologischen vorm, betekent den mens degraderen tot materie, in feite hem naar de platten grond neer halen, hem vernederen. dit is: den mens naar eigen (platvloers) beeld herscheppen, hem “overvallen, lelijk toetakelen, van zijn geheim beroven en als halfdood achterlaten”. de mens is, van in het BEGIN tot in het UITEINDE van hoge afkomst, kan stevige papieren voorleggen en dwingt, ook als hij het vaderhuis verlaten, zijn erfenis verkwanseld heeft en zijn honger met varkensvoer moet stillen, den hem als “kind van GOD en tempel van GODS heiligen GEEST” passenden eerbied af. dit beeld is een in het geloofsgeheim van de Schepping verborgen geborgen geloofsgeheim en overstijgt uit dér aard alle op filosofie, psychologie, sociologie en politieke correctheid gebaseerde anthropologie. het geheim mens is uiteindelijk GODS GEHEIM en licht voor de mensen op uit en in GODS boomse en bijbelse “openbaring” ervan. hoogst en diepst, langst en breedst uit en in het beeld van den mens geworden GOD den ZOON, jezus CHRISTUS. “Ik noem u geen knechten meer, maar vrienden.”: ontvangen van den Heiligen GEEST, uit God geboren en geroepen om te zijn waar Ik ben.
natuur én mens krijgen hun adel uit GOD. met als gevolg van dien dat het natuurbeeld én het mensbeeld het helderst te voorschijn treden uit het GODSbeeld. hun geheim is in wezen een afstraling van GODS GEHEIM. de diepe betekenis van “Onze Vader, Die in de hemel zijt,…” belicht het “Geen mens heeft God ooit gezien.”, en uit der aard het geloofsgeheim: GOD IS er, enerzijds in Zichzelf als “Ik ben Die bén…” en anderzijds naar Zijn Schepping toe als “en Die er zal zijn voor u.”. GEHEIM én -geheime lijk wonder lijk- VADER. als GEHEIM voor de mensen bron en fundament van alle geloofsgeheimen; als VADER voor de mensen die geloofsgeheimen VOL uit Zijn VOLHEID booms en bijbels aanschouwelijk makend en te schouwen gevend. dit is: via de dingen der schepping en het Woord/WOORD naar hùn wijze op hùn wijze te horen, te zien en te tasten, te voelen, te overdenken en te verbeelden. het hoogtepunt, en meteen de voor altijd en overal helemaal geldende synthese van deze “Zelfopenbaring” van GOD den VADER is de mens geworden ZOON, jezus CHRISTUS. Hij is de door den VADER bewust de mensen beminnelijk menslievend te horen, zien en tasten, voelen, overdenken en verbeelden gegeven VOLHEID van TEKEN, van GODSbeeld. van Die als “Ik ben Die (VADER lijk) bén…in de hemel is” én als “en Die (VADER lijk) er is voor u” op aarde. het is de mensen uit en in her innering door den Heiligen GEEST van al wat Ik u heb gezegd gegeven naar Hém luisterend, in Hém gelovend en Hém volgend dit TEKEN (GODSbeeld) te zien en uit en in dié VOLHEID het ding- en mensbeeld in hun VOLheid. hun horen wordt dan uit en in luisteren naar HOREN, hun zien uit en in geloven in ZIEN, hun tasten uit en in dit HOREN en ZIEN volgen TASTEN. verhoogde vormen van, die “de goede grond” zijn voor het branden van het hart, het verlicht verstaan van het verstand, het wonder lijk boeiend zien én ver beelden van de door het TEKEN te horen, zien en tasten gegeven tekens. “de goede grond” voor geloven in de geloofsgeheimen én ze be leven.
dié “verhoging”, het tillen van al wat menselijk is op de hoogte die de natuur lijke plaats is waar de geloofsgeheimen in hun VOLheid uit Zijn VOLHEID “schitteren als de zon en wit zijn als sneeuw”, verhoogt de rede tot meer dan, tot méér, en maakt haar uit en in harmonische samenwerking met de verhoogde gevoeligheid en de verhoogde verbeelding bekwaam tot “verstaan”, tot ZIEN (in de johaneïsche betekenis), een verhoogd zien. uit dér aard kan de rede niet tegen geloven uitgespeeld worden en wordt, is en blijft geloven redelijk. met bevrijding, opvrolijking en bevrediging van het verstand, het doordat het vindt wat het “onrustig” zoekt, tot rust komen van het “zoeken” als heerlijke toemaat. deze met gemoeds- en verbeeldingsrust harmoniërende “rust-uit-gerustheid” van de rede verrijkt de gelovenden met een op de “Zelfverzekerdheid” van GOD geGRONDE en uit dér aard op Haar gelijkende zelfverzekerheid, een “vrede van GOD, die alle zinnen ver overtreft”.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
