|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
De mensen zijn onder de dingen der Schepping uitzonderlijk met rede/verstand begaafd, blijkbaar om het reilen en zeilen van de dingen en hun bestaan eruit (“stof van de aarde genomen”), erdoor (de levensbehoeften verschaffen) en ermee (in verbondenheid samen) te verstaan en op rede lijke, verstandige wijze te leven. er is blijkbaar een verband tussen de dingen en de mensen, dat de mensen uitnodigt tot het sluiten van en trouw zijn aan een verbond met ze. concreet betekent dit: op grond van het verstaan van dit verband uit en in een geheime lijk wonder lijke en uit der aard bewondering waardige uitwisseling de aarde, de natuur lijke plaats waar zij natuur lijk plaats hebben, bewoonbaar maken en zinvol bewonen. dàt is de vaste voor- en achtergrond van de “condition humaine” en meteen de conditio sine qua non voor “het gebruiken van het verstand”. rede lijke mensen zijn aangewezen op redelijkheid. verstandige mensen zijn aangewezen op het gebruiken van hun verstand. dàt is een natuur wet, ook al toont de realiteit dat de mensen dat niet altijd doen en het verbond ter wille van gewoon onaandachtzaamheid, verstrooidheid, misverstand, of, erger, verdwazing, heimelijke begeerten (greed) of rancuneuse on-/moedwil eenzijdig schenden. “zijn verstand gebruiken” en uit der aard het verband zien en respecteren is het voorrecht van een “tot de jaren van verstand gekomen” mens.
mensen kunnen de dingen horen, zien en tasten zó als zij zijn uit en in hun waarachtigheid, GOD en mens waardigheid en waarde. uit dér aard is de taak van de rede over het gehoorde, geziene, getaste te denken, het binnen het verband van het geheel op zijn plaats te plaatsen. de taak van de rede is: denken over de gehoorde, geziene, getaste dingen (“Eerst zien, daarna oordelen,…). uit dér aard is denken wezen lijk denken over en mag het niet losgemaakt worden van de ons vóór en aan de voeten gelegde dingen, is het een onderdeel van het aan onze handen toevertrouwd zijn der dingen. denken over is gericht op de waarheid der dingen (de dingen, niet zoals zij schijnen, maar zó als zij zijn), die meteen de vaste grond is voor juist handelen (en daarna handelen”). dit “zien, en daarna oordelen” is de kunst van de dingen “lezen”, het werk van de intelligentie. uit der aard betekent van de observatie van (intens aandachtige aanwezigheid bij) de dingen losgemaakt denken abstraheren, dit is uiteenwerpen van zien der dingen en over ze denken en leidt dit “denken” naar abstracties, niet aan de werkelijkheid beantwoordende voorstellingen, valse redeneringen, “ideeën”, fantasietjes. de ons omringende dingen der Schepping en het door “profeten” en “leerlingen” opgetekend Woord van GOD zijn de ons gegeven “stof” om te denken over, om te “lezen” ( zich ervoor buigend zich erover te buigen, opterapen, te roosteren en te eten om ervan te leven).
de rede/het verstand is bedacht, ontworpen en geroepen om, intellectueel eerlijk, dit is op grond van luisteren naar, geloven in en volgen van de waarachtigheid, GOD en mens waardigheid en waarde der dingen/het Woord, te denken over met kennen (reële kennis opdoen), meteen een onderscheid maken tussen wat vals en waar is (“onkruid en tarwe”) en het levensechte kiezen (“Kies dan het leven.”) als gevolg van dien. “redelijk zijn/zijn verstand gebruiken” is wezen lijk: zó denkend over het gehoorde, gezien, getaste bekwaam worden binnen de VOLLE waarheid der werkelijkheid (“de hele waarheid en niets dan de waarheid”) te komen, naar die waarheid te handelen en zó doende het leven te kiezen. met als gevolg van dien: vervuld worden van innerlijke vrijheid (“de vrijheid van de kinderen Gods”), innerlijke vreugde (“Mijn vreugde”) en innerlijke vrede (“de vrede van God, die alle zinnen te boven gaat”).
in feite is zó denken over geheime lijk wonder lijk, in het verborgene, op Uw woord, méér: dichterlijk gevoelig voor de tekens-met-TEKENwaarde die de dingen en het Woord afgeven, ZIEN; schouwen (contemplatie: den tempel van “de aarde” en den tempel van “den HEMEL” samenwerpen); in het midden van “het veld” schouwen in de diepte van “den HEMEL); opgenomen worden in het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van “HEMEL” en “aarde”; als OORSPRONG lijk deelhebbend aan mógen kunnen en kùnnen mogen deelnemen aan het ”GEHEEL”, aan de reële Realiteit van SCHEPPER en Schepping, Hemel en aarde. dit is: in een wereld van door grillige gevoeligheden, abstracte ideologieën en losgeslagen fantasietjes bevuilde lucht, vrij en vrolijk en te vreden diep ademen in de open, onbestoven, frisse lucht in het dorp, aan zee, op de bergen.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
