|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Het innerlijke is de natuur lijke plaats waar de mens, als “beADEMde klei”, vonk van den GEEST (ziel), hoogst en diepst, langst en breedst zichzelf is, is zó als hij OORSPRONG lijk is gedacht, ontworpen en gemaakt. dit houdt in: dat hij, in den hemel “ontvangen”, op aarde onderweg op weg is naar den hemel. zijn op aarde zijn is wezen lijk zijn “tussentijd”, de hem gegeven tijd tussen eeuwigheid en eeuwigheid, de tijd van de verbondenheid van de ziel (“geeste) met het lichaam (“stof”). geloofsgeheim van het door GOD geschapen zijn “op ONS gelijkend”, dat zich alleen ten VOLLE “opent” voor ten VOLLE in GOD gelovenden.
door GOD gezien en gewild als op aarde op weg naar den hemel wordt en is de mens “een levend wezen” als hij “aarde” en “HEMEL” samenhoudt op de wijze van via het aardse opgehemeld worden, van “de letter” naar “den geest”, van al wat zichtbaar naar al wat onzichtbaar is opstijgen. zó is het werken aan het zichtbare (uiterlijke/den tuin) bedoeld als springplank naar het onzichtbare, als de natuur lijke wijze van vergeestelijking (verinnerlijking). die opdracht wordt maar vervuld zoals het hoort als beide “werelden” -niet uiteengeworpen, maar- samengeworpen, samengehouden worden. concreet: als de mens zich niet aan “de letter” vergaapt, maar “de letter” door “den geest” doet leven, den weg van verinnerlijking inslaat en volgt.
het hoeft ons niet te verwonderen dat een mens begint met meer aandacht voor het stoflijke dan voor het geestelijke, cru uitgedrukt door “Erst kommt das Fressen.”. dit is: intens aandachtige aanwezigheid bij de al dan niet evenwichtig geziene en gehouden noden van het lichaam. men zou welfs kunnen zeggen dat ter wille van het nauw verband tussen lichaam en ziel voldaanheid aan de lichamelijke noden een voorwaarde is tot het overgaan naar aandacht voor het geestelijke. in elk geval is aandacht voor het lichamelijke een deel van de opdracht en kan zij niet losgemaakt worden van de aandacht voor den geest. in feite gebeuren beide uit en in een bewondering waardige uitwisseling liefst evenwichtig, samen, elkaar bevruchtend om VOL wassen mogelijk te maken.
tóch primeert, in feite ter wille van het UITEINDE, uiteindelijk verinnerlijking. er komt een leeftijd waarop een mens, zeker op rijpe leeftijd, zó gerijpt is dat hij de twee werelden naar hun waarde gaat schatten, de waarde van het geestelijke als rijker, groter, meer dan, ja, méér gaat beschouwen (schouwen) en uit der aard het aandringen van het stoflijke en meteen het uiterlijke bedwingt en het op zijn plaats houdt. hij vertraagt, verstilt, verdiept, keert zich naar binnen op de wijze van schouwen, contemplatie, los laten (zich van den platten grond afzetten, de vleugels uitslaan en vliegen). trok eerst het begin, dan meer nog het midden van het hiérennùmaals, nu trekt uit en in een met Uitzicht-op verrijkt Inzicht-in het nàmaals, de lokstem van de eeuwigheid, die uit en in schouwen steeds luider klinkt en de betekenis van de dingen die van bóven zijn helderder articuleert. na den uittocht uit de slavernij en den doortocht door de woestijn komt de intocht in het door de belofte van CHRISTUS in de verf gezette beloofde land in het gezicht. het land dat, niet langer door uiterlijkheid verduisterd, het ware vader-, het VADERland, het land van “Onze Vader, Die in den hemel zijt.” is, meer dan ooit en meer dan alles. geloofsgeheim, dat zich alleen aan die in simplicitate cordis in GOD geloven in al zijn heerlijkheid openbaart en elken aan den mens eigen natuur lijken twijfel overwint.
in dié levensfase ontdoet de mens zich van alle uit schouwen als bijkomstig geziene en ervaren “aardse” dingen op de wijze van in plaats van ze uit greed naar zich toetetrekken uit loslaten van zich afteduwen. uit dér aard “vereenzaamt” hij in de hem omringende zich aan die dingen vergapende wereld. hij ontdekt dat wat hij zegt, schrijft en doet aan de anderen voorbijgaat, noch beluisterd, laat staan geloofd en gevolgd wordt. hij wordt “moeilijk”. ja als onsociaal, zo niet als saai/vervelend ervaren en bestempeld. de kring wordt nauw. hij is niet langer in de wereld van de wereld en telt niet meer mee, is niet langer “nuttig”. zijn gehoor- en gezichtsvermogen verflauwt. het is alsof hij de hele dag alsmaar indut. denkt men, beeldt men zich in, zegt men onder elkaar.
maar. en tóch. en zie: die “eenzaamheid” is die van den monnik in het monasterium en van den monnik in het hart. zij is verinnerlijking, vergeestelijking, is “vervuld” van den “goeden” geest, die van GODS Heiligen GEEST is. een met vreugde en tevredenheid verrijkte bevrijding. rust uit gerustheid. de “verlatenheid” deert hem niet, want hij is, als behorende tot van de gezindheid die eigen is aan jezus CHRISTUS vervulde gelijkgezinden, “de vrienden van het WOORD”, niet verlaten. integendeel. zijn gezelschap is de grote menigte, de 144.0000 die hun kleren hebben witgewassen in het bloed van het LAM, de gemeenschap van alle heiligen. zijn geheim is een geloofsgeheim, dat door alle geloofsgeheimen die liggen tussen “Ik geloof in God” en in “het eeuwig leven”, gedragen is.
de waarachtigheid, GOD en mens waardigheid en waarde van verinnerlijking lichten op binnen de waarheid van de ons in het avontuur van jezus CHRISTUS voorgeleefde paradox van “Wie zijn leven verliest, zal het winnen.”. verinnerlijking wordt door de wijzen van de wereld gezien als zijn leven verliezen, maar door de dwazen van GOD als het winnen.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
