|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Onverschilligheid heeft den negatieven bijklank van sterk individualistisch getinte uitspraken als: “Het zijn mijn zaken niet. Het zal mij een zorg wezen. Ik trek het mij niet aan. Laat mij met rust”. men wil vrij zijn, zich bevrijden (los maken) van een verborgen en tóch niet te “vergeten” verbondenheid met de dingen en de (mede)mensen, zo niet met GOD en/in Zijn “vertegenwoordigers” op aarde. met als gevolg van dien: een indruisen tegen gewoon de natuur van de OORSPRONG lijke verbondenheid tussen de de mensen omringende dingen en de (wezen lijk medemensen zijnde) mensen, en meteen een, in “Het is niet goed dat de mens alleen zij.” al voorspelde na sleep van vereenzaming/verlatenheid-uit-verlaten. onverschilligheid is niet van den de mensen ingeschapen “goeden” geest, die samenwerpt/verzamelt, maar van den “bozen”, die uiteenwerpt/verstrooit. en uit der aard is het een fatale illusie dat die “bevrijding” VOLuit leven zou bevorderen, gemakkelijker, “rustiger”, onbezorgder en genietbaarder zou maken.
wie nadert om scherper te kijken ontdekt dat die onverschilligheid met een onbesuisde relativering van de VOLheid der werkelijkheid te maken heeft en uit der aard in feite onrealistisch is op de wijze van de dingen zien en voorstellen niét zó als zij -op het tweede gezicht- zijn, maar zó als zij -op het eerste gezicht- schijnen te zijn. de dingen relativeren is ze naar beneden (den platten grond) halen, van hun geheim beroven en uit der aard tot louter “stof” ver nederen. met als gevolg van dien: het verschil uitwissen, denken en stellen dat er geen verschil is tussen wat ons te zien is gegeven en de wijze waarop men het ziet. dàn beweert men dat er voor de mensen geen verschil is tussen het bestaan van GOD en Zijn niét bestaan; geen verschil tussen in GOD geloven en niét in GOD geloven; geen verschil tussen GODS geboden onderhouden en ze niét onderhouden, en uit der aard tussen “goed” en “kwaad”. want dat is allemaal relatief. meer nog: de mens zelf bepaalt dan of GOD bestaat of niét; bepaalt wat “goed” en wat “kwaad”, wat waar en onwaar, wat schoon en lelijk, wat nuttig en onnut is, het leven bevordert of afbreekt, enz. enz. het wezen van onverschilligheid grondt in de overtuiging/mening dat er geen verschil is, dat kiezen niet door een verschil wordt bepaalt, en dat het ook allemaal geen de waarde van leven bepalend belang heeft wat men voelt, denkt, zich inbeeldt. dat aan den uitgeschudden en half dood achtergelaten man gewoon in een kring rond hem voorbijgaan even goed is als van zijn lastdier afdalen en voor hem zorgen; ’s zondags niet naar de mis gaan even goed als er wel aanwezig zijn; bedriegen even goed als eerlijk zijn enz. trouwens wat is bedriegen, wat is eerlijk zijn? is in functie van slagen en vooruitgaan bedriegen niet slim zijn en eerlijk zijn dom? want het gaat om het ik, niet om de anderen, en daarin ben ik vrij en dàt verantwoordt ik individualistisch rationalistisch liberaal. en de feiten van een dergelijke, min of meer grove, mentaliteit zijn in de “moderne” maatschappij legio, worden on-, onder- of bewust goed gekeurd, aangehangen en zelfs gepromoot.
maar. en tóch. en zie: er is, op GROND van het grote VERSCHIL, van Die van in den beginne verschil gedacht, ontworpen en gemaakt heeft, verschil. een op aarde, onder de mensen door de mensen niet te verdoven, verduisteren en verlammen, de mensen ermee confronterend en ter verantwoording roepend verschil. een verschil, dat de mensen niet alleen uitnodigt maar ook dringend aanport tot…on onverschilligheid op de wijze van Inzicht in, aanvaarding van en gehoorzaamheid aan de Realiteit van den het VERSCHIL scheppenden VADER, den tot luisteren naar, geloven in en volgen van het verschil bevrijdenden ZOON en den het geheim ervan ter VOLtooiing her innerenden GEEST VOLTOOIER. ZIJ zijn wezen lijk ON ONVERSCHILLIGHEID, het VOOR BEELD ervan en geven uit dér aard aan de mensen een voorbeeld van on onverschilligheid…ut ita et vos faciatis. het voorbeeld dat ZIJ op de wijze van Scheppen, Verlossen en Voltooien geven moet het fijn voelen, denken over en verbeelden van de mensen het verschil “tonen” tussen opbouwen en afbreken, verlossen/bevrijden en bevangen/beknellen, voltooien en in de kiem smoren. dit is: van onverschilligheid (verdoven, verduisteen en verlammen van het verschil) bevrijden en vrij maken voor on onverschilligheid (helder doen horen, zien en tasten van het verschil tussen noem maar op geloven of weigeren ervan; tussen leven volgens GODS levenswoorden of de oren ervoor dichtstoppen, de ogen ervoor dichtknijpen; de dingen der natuur respecteren, het leven van al dat leeft bevorderen, of de natuur verloederen, het leven doden; tussen open intellectuele eerlijkheid of verborgen bedrog en leugen; tussen van zijn rijdier afstijgen en de wonden verzorgen of onverschillig voorbijgaan; tussen doven, blinden, verlamden genezen of het “goede” onder ons verdoven, verblinden en verlammen; enz. enz. on onverschilligheid geeft op Grond van aandacht voor en inzicht-in tekens af van een “op ONS gelijkende” en uit dér aard het leven van al dat, van klein tot groot, leeft bevorderende intens aandachtige creatieve aanwezigheid op aarde op de wijze van “de tuin” gehoorzaam bewarend bewerken, de aarde als “een nieuwe aarde en een nieuwe hemel” voor alle mensen bewoonbaar maken en bewonen.
precies dààr toe heeft de Schepper der mensen de mensen oren gegeven om te luisteren, ogen om te naderen en scherper toetekijken, vingertoppen om fijn te tasten, en uit der aard door het gehoorde, geziene en getaste be- en ontroerd (bewogen) te worden, erover te denken, de tekens erin te zien en te ver beelden (“in gelijkenissen-uit-gelijkenis uittespreken”). dit is: uit en in Zijn VOLHEID VOL te leven en het leven van al dat leeft VOL te bewonderen, eer te bieden en te bevorderen, optehemelen op de wijze van te “verlengen”, met Uitzicht op niet voorbij-, niet verloren gaan te verrijken, vergroten, vermééren. hoe als het ware op het eerste, in feite menselijk beperkt gezicht, niet te geloven, het kàn en màg en moét op Grond van het tweede, in feite door GOD gegeven gezicht, geloofd worden. leven uit en in on onverschilligheid is het geheim van den gelovenden: den met verhoogd horen, zien en tasten, verhoogd voelen, denken over en verbeelden begaafden mens.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
