|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Een/het volgende is wie/wat volgt op een voorgaande(n). meer nog: vreemd genoeg blijft de/het volgende geen volgende, maar wordt hij/het volgende “als vanzelf” een voorgaande voor de/het volgende.
dàt betekent dat mensen en dingen opgenomen zijn in een beweging en ermee bewegen, van plaats (rangorde) veranderen. dat is waartenemen in de wachtkamer van een dokter. men komt er binnen en stelt vast dat er al een of meer mensen te wachten zitten, voorgaanden zijn die algemeen als voorrang hebbend beschouwd en behandeld worden, men een volgende is. bovendien stelt men vast dat er nog anderen binnenkomen die volgenden zijn en voor wie men dan een voorgaande wordt. hetzelfde geldt voor de dingen: zie de uren van een dag, de seizoenen van een jaar, de jaren van een eeuw. dit laatste voorbeeld verwijst onomwonden naar het vreemd, geheimzinnig fenomeen van den tijd, de concrete beweging waarin al dat leeft opgenomen is en waarmee het beweegt. blijkbaar bijna onzichtbaar beweegt van begin naar einde: het raadpelegen van den dokter begint en eindigt; de uren, dagen, seizoenen, jaren, eeuwen beginnen en eindigen. dit is: verlopen.
het geheim van den tijd, en meteen van de mensen en de dingen die ermee bewegen, is: verlopen. de uitdrukkingen “In de loop der jaren, zijn levensloop (curriculum vitae)” tonen dat de mensen zich van dit ver-/lopen bewust zijn, en meteen (zij het niet zonder weemoed als het om iets “goeds” , met vreugde als het om iets “kwaads” gaat) van de realiteit van beginnen en eindigen. de realiteit van vergankelijkheid: voorbij-, zo niet verlorengaan. de vragen van mensen bij het sterven van een mens: “Wie zal de volgende zijn? Ben ik niet de volgende?, zijn vragen die het geheim van een leven binnen het geheim van den tijd in het licht stellen, tekens van een zekere onrust en meteen een zeker ongenoegen afgeven, tekens van dàt en hoé het gemoed opgejaagd is, het verstand duizelt, de verbeelding in de war is gebracht. tenzij.
tenzij er buiten, ja bóven deze algemeen menselijke ervaring, een àndere is. een “hogere”, geheime lijk wonder lijke, den tijd en zijn bewegen achter zich latende, vergankelijkheid door onvergankelijkheid overwinnende op de wijze van geloven dat niets of niemand uiteindelijk UITEINDElijk voorbij-, verloren gaat. een geloven dat gedragen is door den door ons uit ons gegeven tekens-met-TEKENwaarde aftelezen VASTEN grond van on tijdelijkheid: de ons gemoed, verstand en verbeelding verbazende, ja verbijsterende en tóch boeiende Realiteit van de eeuwigheid van GOD. GOD, Die bestaat en bovendien óns bestaan heeft bedacht, ontworpen en gemaakt (den hoor-, zicht- en tastbaren vorm van “beAdemde klei” heeft gegeven), is on tijdelijk, heeft den tijd geschapen, maar staat er buiten, bóven, kent geen begin en geen einde, verloopt niet, is nooit volgende en nooit voorgaande. wat wij ons, uit en in onze beperktheid, niet kunnen voorstellen, maar wel, die beperktheid overstijgend, ongeremd onbevangen geloven. GOD is de meester van den tijd, en meteen van al wat er in den tijd geschiedt, het geschieden van elken mens in ’t bijzonder en alle mensen samen inbegrepen. geloofsgeheim dat als “Wij zijn aan Gods handen toevertrouwd. Wij zijn in Gods handen en leggen ons bestaan in Zijn handen, tot ‘Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest.’” toe “geschreven staat”. uit dér aard is ons geheim: hoezeer ook hiér en nù, op aarde, aan den tijd gebonden, met den tijd verlopend, tóch zijn wij wezen lijk ter wille van het BEGIN en het UITEINDE van de dictatuur van den tijd bevrijd en, óók geheime lijk wonder lijk hiér en nù al in de eeuwigheid, in GODS eeuwig ZIJN opgenomen. geloofsgeheim, dat ons van onrust, ongenoegen, opgejaagdheid van het gemoed, duizelen van het verstand en verwarring van de verbeelding “verlost”. wat jezus CHRISTUS , GOD de ZOON VERLOSSER, ons door Zijn wonen onder ons “in gelijkenissen” heeft verduidelijkt (be tekend) en wat “de leerlingen” voor ons ter “lezing” en “lering” hebben opgetekend. in feite is het leven van die, hoé dan ook, in GOD geloven, van die “naar Hem luisteren”, “in Mij geloven” en “Mij volgen” in ’t bijzonder, iets heel anders, ànders dan “in een wachtzaal zitten” (volgen en voorgaan). in feite “behoren zij God toe” op de wijze van: in het BEGIN van Hem zijn uitgegaan, tijde lijk hiér en nù naar Hem reikhalzen, en UITEINDE lijk in Hem terugkeren, in Hem zijn en blijven.
de tijd heeft zijn angel verloren. die in den tijd beginnen gaan in het uur van den dood niet voorbij, niet verloren, maar leven on tijdelijk, eeuwig. dàt heeft jezus ons met “woorden van eeuwig leven” onderricht, bovendien door Zijn verrijzenis uit den dood be tekend en zó doende vervult Hij ons met Zijn vrijheid, vreugde en vrede vervuld. inderdaad, gottfried: “Kann keine Trauer sein.”.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
