|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
De aan den mens gegeven opdracht “de tuin te bewerken en te bewaken” houdt in dat werken, en meteen het eruit resulterend werk, ingeschapen aan het leven van den mens als homo faber inherent zijn. werken heeft voor de mensen de betekenis gekregen van -in het zweet zijns aanschijns- “zijn brood verdienen” en wordt dus nog al eens als een noodzakelijken last (un mal nécessaire) beschouwd .
in feite is werken maken, scheppen: de den mens vóór de voeten aan de voeten gelegde en aan de handen toevertrouwde dingen der schepping om vormen: een vorm geven die tekens van geest afgeeft, de “stof” door den “geest” doet leven. waarin begrepen is: in zijn levensnoden voorzien én van de dingen genieten; het nuttige aan het aangename paren. VOLheid van werken resulteert uit de bewondering waardige uitwisseling tussen voorzien in/lenigen der noden en genieten van; evenwicht tussen beide. wat inhoudt dat een mens niet leeft om te werken, maar werkt om te leven, in VOLheid te leven.
werken kan mis lopen, den mens overweldigen en hem tot slaaf van anderen of van zichzelf degraderen.. van anderen ressorteert onder den socialen omgang van de mensen met elkaar. anderen hoé dan ook tot slaaf degraderen is hun menswaardigheid naar beneden halen en meteen in die zich daartoe leent, mensonwaardig. hij verlaagt het werken van anderen tot slaven. amen, amen en daarmee uit. zichzelf tot slaaf degraderen doen die om de een of andere reden: zelfzucht, geldzucht, eerzucht, genotzucht, machtswellust, leven om te werken, aan die dingen te werken, ze te bewerken/realiseren…ten koste van eigen vrijheid, vreugde en vrede, én die van anderen. zó werken is van den “bozen” geest omdat het wat GOD samengeworpen heeft, uiteenwerpt en breekt de cultuur af in plaats van haar optebouwen.
de Schrift geeft aan de mensen een hen opbouwend voorbeeld van “werken” waar GOD na zes dagen scheppen op den zevenden dag “rust”. is werken actief, rusten is passief, ont spant en maakt (over)schouwen van het gedane werk mogelijk. dit (over)schouwen bevestigt wat GOD na elken dag vaststelde:: “dat het goed was”. met een knipoog naar: dat werken kan mislopen, dingen en mensen beschadigen en het maar deugt als het “goed” is. rusten betekent: den tijd nemen om zich te bezinnen en zijn werken te be zinnen, het cultiveren van den tuin “bewaken” (in zijn OORPRONG lijken vorm bewaren). rusten betekent uit dér aard bij het werken naar het aan de mensen, die op aarde zijn, gegeven voorbeeld van GOD, Die in den hemel is, op tijd en stond te rusten en zó doende dat “op ONS gelijkend” onbeschadigd te bewaren. dit is: handelen en schouwen samenwerpen op de wijze van “Ora et labora” en meteen het “stof” lijk werken be “geesten” uit en in den “goeden” geest, die van GODS Heiligen GEEST is, dit rusten komt volkomen overeen met de in hu natuur geschreven ervaring der mensen dat “de boog niet altijd gespannen kan zijn”. hem op tijd en stond ont spannen maakt dat hij zijn spankracht bewaart. wat betekent dat het voorbeeld van GOD niet tegenstrijdig is met natuur lijke ervaringen van den mens, maar integendeel zijn natuur (dat “als vanzelf” in hem) verantwoordt en onderbouwt.
dit samenhangen en samenwerken van werken en rusten “toont” den zin en de noodzaak van het relativeren van werken/het werk. genoeg is genoeg. genoeg gebruiken der dingen en genoeg ervan genieten. dit genoeg is de gulden middenweg tussen te weinig en teveel, evenwicht dat de waarde van werken en werk niet schaadt, maar verhoogt het is een kwestie van beheersen, binnen perk en paal houden, volgens goethes woord: “In der beschränkung zeigt sich der Meister.” een teken van meesterschap, meester zijn en blijven. zó als te weinig werken getuigt van gebrek aan respect voor werken en werk, getuigt te teveel werken van onbegrip en gebrek aan respect omdat de oorspronkelijke zin van beide, de aarde cultiveren om ze voor alle mensen bewoonbaar te maken, vertekend wordt. uit der aard behoort het relativeren, als ordenen (scheppen en bewaren van de oorspronkelijke orde), tot de opdracht van den mens. daarin is begrepen dat elke mens zijn werken naar zíjn wijze op zíjn wijze, zonder aanziens des persoons en zonder toetegeven aan den drang naar concurreren moet “regelen” en de waarde van zijn werk “relatief” is, d.w.z. op grond van zijn persoonlijke begaafdheden en niet van die van anderen beoordeeld moet worden. zie de diepe en voor de kleinen, de zogezegd “minder bedeelden”, troostvolle parabel van de talenten. de maatstaf van de waarde van werken is niet hoeveel het opbrengt (nut/prestatie) of hoeveel het betaald wordt, maar dat het goed gedaan is, de talenten, hoe beperkt ook, verdubbeld werden.
de uiteindelijke betekenis van het relativeren van werken en werk staat in het scheppingsverhaal geschreven en is de mensen dààr te lezen gegeven: werken (labora) relativeren is het beheersen, zó dat erna uitrusten om het te (over)schouwen (ora, “zien dat het goed is”) een kans krijgt. werken is “goed”, dit is volgens den geest van den Schepper, als het gezien en gedaan wordt als/in “opdracht” van den Schepper, met Hem verbonden en samenwerkend om het werk van Zijn handen te VOLtooien. die verbondenheid mag door onbeheerst werken niet “vergeten” en moet precies tijdens het rusten altijd weer vernieuwd worden. GODS rusten op den zevenden dag duidt den zin en de wijze van rusten der mensen, verwijst als een verhelderend voorbeeld naar den zin en de wijze van het rusten der mensen op den zevenden dag, den sabbath voor israël, den zondag voor de christenen. met GOD in gebed (schouwen/contemplatie) verbonden blijven is de conditio sine qua non om niet door werken opgeslorpt te worden, erin verloren te lopen gebed (ora) verhoogt het werken (labora) en het werken concretiseert het gebed in den vorm van een eenwichtige cultuur,(“de tuin bewerken én bewaken”. wat sint-benedictus geniaal uitdrukte in leuze die hij de monniken voorhield: “Ora et labora”
het natuur lijk moment van rusten is de zondag:de dag die de HEER heeft gemaakt en aan de mensen geschonken om, van werken bevrijd, zich te ont spannen, in de stilte in stilte stil te bezinnen en biddend de verbondenheid met GOD en haar in slag op het leven der eerste zes dagen te bevestigen en verstevigen, den diepen zin van “het beste deel verkiezen” intezien en in de praktijk omtezetten. dat “beste deel” werpt geen odium op werken, maar legt den vinger op een er mogelijk uit voortvloeiende ongezonde “bezorgdheid” en houdt het in evenwicht en op zijn plaats. martha legde het accent op het belang van de eerste zes dagen (de “actie”), terwijl maria het belang van den zevenden (de “contemplatie”) accentueerde. Wat jezus als “het beste deel” bevestigde door haar ervoor te prijzen.
het werken relativeren blijkt dus te moeten gezien en begrepen worden tegen den achtergrond van de relatie tussen “stof” en “geest”, lichaam en ziel, “aarde” en “HEMEL”. “Niet van brood alleen leeft de mens, maar van ieder woord dat komt uit de mond van God.” (Matt. 4/4). met deze woorden ontkracht jezus de bekoring van den uiteenwerper: “Indien Gij Gods Zoon zijt, zegt dan dat deze stenen brood moeten worden.” (3). het leven beperken tot van stenen brood maken (louter “aards” leven) is niet ten leven; ten leven is leven van elk woord dat uit de mond van GOD (den “HEMEL”) komt de mens is gemaakt, geroepen en gezonden om “aarde” en “HEMEL” samentewerpen op de wijze van het “aardse” door het “HEMELSE” te verhogen, het werken met bidden samentewerpen en uit dér aard als waarachtig, GOD en mens waardig en waardevol te te denken en te doen.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
