|
Aantekeningen van Ernest Bornauw
|
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
Bijbelse visie: de mens als "mensenkind", kind van de mensen, die op aarde zijn. zó spreekt JAHWEH, de HEER. uit en in Zijn scheppen van den mens luidt Zijn anthropologie: de mens is een kind van de aarde, en uit dér aard meteen "aards", "stof van de aarde genomen" op de wijze van door JAHWEH uit klei geboetseerd, maar, en tóch, en zie bòven dien te zelfder tijd met Zijn ADEM tot "een levend wezen" beademd, be geest én be GEEST.
"aards" houdt in: beperkt, als "stof" vergankelijk, "op ONS gelijkend" maar niettemin fundamenteel, wezen lijk, niet aan GOD gelijk ("Quis ut Deus?"). met geestelijke gaven begaafd, ziet het mensenkind anders, meer dan de hem omringende dingen, maar niet zó als GOD ziet, niet hoogst en diepst, langst en breedst. wat door de dichterlijke ezechiël ver beeld wordt in het visioen van de wonderlijke tempelbron (Ez. 47/12). dat wonder ziet het mensenkind niet uit zichzelf, maar moet hem door GOD "geopenbaard" worden. om die "openbaring" te kunnen horen, zien en tasten moet hij naar Hem luisteren, in Hem geloven en Hem volgen. in feite is de hele schepping een wonder lijke Schepping, die voor het mensenkind als een wonder (VISIOEN van de onverdeelde éénheid van "HEMEL" en "aarde") oplicht vanuit den tempel, het heiligdom van GOD op aarde, de tent die Hij door den ZOON en als zijn ooggetuigen functionerende mensen onder die van de mensen heeft opgeslagen.
"Ziet gij dat, mensenkind? (6). een fundamentele vraag, die inhoudt dat het door GOD gedane wonder er is, maar dat het mensenkind bereid moet zijn het als van Hem getuigende te zien. het booms te zien via de tekens die de dingen der schepping afgeven én bijbels via de tekens in "wat er geschreven staat": de "Godsspraak van Jahwhe, de Heer", "al wat Ik u heb gezegd". dàt is de kern van de reële, VOLLE anthropologie van het mensenkind, van zijn zijn zó als hij OORSPRONG lijk is. "de profeten" in het eerste en het (door "de leerlingen" in het tweede BOEK opgetekend) WOORD laten daarover geen twijfel bestaan. het land der mensenkinderen leeft van het water dat het van onder den tempel bevloeit en vruchtbaar maakt, van "het water dat Ik u zal geven", het levend levendmakend water. in feite GEHEIM van GOD ("Jahweh, de Heer; Mijn Vader, Die in de hemel is"), en uit dér aard geloofsgeheim voor de mensenkinderen. "de profeet" heeft dàt geheime lijk wonder lijk, door GODS GEEST als Zijn woordvoerder gedacht, gemaakt en gezonden, gezien. dàt hebben ook de door het WOORD gedachte, uitgekozen en gezonden "leerlingen" als woordvoerders ("Gij zult Mijn getuigen zijn.") van het WOORD gehoord, met eigen ogen gezien en geschouwd en met de handen getast. en dàt hebben zij, als eerste ooggetuigen, "geschreven": mét "de porfeten" als de Schrift in stenen tabletten gebeiteld. het is het historisch HISTORISCH feit, dat het huis van de mensenkinderen doorheen het geschieden van hun geschiedenis op de ROTS bouwt...if they care and are lucky. die eerste ooggetuigen zijn niet alleen chronologisch en kwalitatief de eersten die dit wonder hebben geschouwd, maar zij getuigen ook onverpoosd onverdroten en blijvend ervan. met de bedoeling dat de mensenkinderen het ook zouden zien, intens aandachtig (er door geboeid) ernaar zouden luisteren, met het hart, verstand en verbeelding erbij zouden geloven en zonder morren volgen. wat kàn. kàn in die zó als "de ^prfeten" en "de leerlingen" uit Zijn VOLHEID ontvangen en aanvaarden de ene genade na de andere.
"Ziet gij dat, mensenkind?". dàt is niet alleen de door GOD aan den profeet, maar ook aan alle mensen gestelde vraag. vraag die inhoudt dat GOD Zich niet alleen van het wonder lijk karakter van de zaak bewust is, maar ook dat wonder "toont", aan de mensenkinderen ogen geeft om het te zien en verlangt dat zij het op hun beurt zouden zien uit verlangen het te zien ("Wat wilt gij? Dat ik zou mogen zien.").
dit verlangen is het geheim van het mensenkind op aarde. van die zich emotief, denkend over en verbeeldend bewust geworden is een kind van mensen, maar óók, en bóven dien, gelooft een kind van GOD ("Efraïm, Juda), van den hemelsen VADER, "Mijn en Uw Vader, Die in de hemel is") te zijn. bewust van het ,historisch feit dat zijn werkelijkheid, en meteen zijn leven, opgenomen is in de ongehoorde en nooitgeziene Werkelijkheid van het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van "aarde" en "HEMEL". met àlle gevolgen van Dien: dat zijn horen uit luisteren HOREN geworden is, zijn zien uit naderen en scherper toekijken ZIEN, en zijn tasten uit fijngevoeligheid tot TASTEN. bewust van zijn geheime lijk wonder lijk en uit der aard menselijk onverklaarbaar van den platten grond OP getild zijn tot de hoogte en diepte, lengte en breedte van het VISIOEN. dié mens is met "de profeten" een profeet, met "de leerlingen" een leerling geworden.
wie "een profeet" is en wie "de leerlingen" zijn is opgetekend en staat te lezen. en uit der aard staat te lezen wat dat "zien" is. het is een ànder zien, een verhoogd zien, een zien "met de ogen van God" wat de reële, VOLLE werkelijkheid van de werkelijkheid én het bestaan/leven eruit, erin en ermee zijn. zien wat GOD ziet maakt het een mensenkind mogelijk niet alleen te zien wie hij OORSPRONG lijk is, maar ook zó te worden, te zijn en te blijven. het bepaalt zijn horen als luisteren naar, zijn zien als scherper kijken, zijn tasten als fijn voelen, en meteen zijn bewogen worden, denken over en verbeelden, spreken en handelen als verhoogd, uit en in den "goeden" geest, die van GODS Heiligen GEEST is en die, uit dér aard, niet uiteenwerpt, verdeelt en verstrooit, maar samenwerpt, verzamelt en samenhoudt. zó dat GOD, wat ook "men"/de mensen zeggen, kan bevestigen "dat het goed is, heel goed" en hij daarin zijn vrijheid, vreugde en vrede vindt.
in het leven van het mensenkind krijgen samenwerpen, verzamelen en samenhouden het stempel van: "heel goed". in hemzelf én ten opzichte van zijn medemensen. zijn gevoeligheden, gedachten over en ver beeldingen, spreken en handelen zijn gericht op wat/wie uiteengeworpen is/zijn, weer samenwerpen; wat/wie verdeeld is/zijn, weer verzamelen en samenhouden. dit is: terugplaatsen binnen het VISIOEN van de onverdeelde éénheid van "aarde" en "HEMEL", ophemelen. precies dàt is de opdracht van den "profeet" en is "profeteren": "profetisch" bewogen, denkend over en ver beeldend spreken en handelen. wat het mensenkind als "profeet" of "leerling" door GODS GEEST geïnspireerd gehoord, geschouwd en getast en meteen "geschreven/opgetekend" heeft, is voor allen die het schouwend lezen dat "levend water/het water dat Ik u zal geven" geworden dat "eerst tot de hiel, dan tot de knieën, dan tot het middel reikt en dan zó diep wordt dat men erin kan zwemmen en het het land van GODS volk aan alle kanten bevloeit en vruchtbaar maakt: rijk aan vissen en vruchtbomen waarvan de blaren niet verwelken en de vruchten niet opraken" (47/1-12). het is wezen lijk GODS GEHEIM, Dat in den vorm van geloofsgeheim aan die het schouwend lezen geheime lijk wonder lijk, in het verborgene, op Uw woord, ten leven "geopenbaard" wordt. dit is: zó ont huld dat het mensenkind het kàn zien en ziet.
| << vorige << | inhoudstafel | >> volgende >> |
| begin | boeken | levensverloop | nota bene | contacteren |
